Gepost door: Frank de Zanger | mei 12, 2018

Korting tijdens ‘Week van het Luisterboek’, 21 t/m 27 mei.

Korting van 21 t/m 27 mei tijdens de Week van het Luisterboek. De romans ‘NOBEL WAS HIJ’ en ‘DE RING’ van Frank de Zanger (Uitgeverij Tournesol) zijn uitgegeven als luisterboek.

De webwinkels  www.luisterboeken.nl  en  www.123luisterboek.nl   leveren tijdelijk 20% korting!

omslag roman 'DE RING' van Frank de Zangeromslag roman 'NOBEL WAS HIJ'

Advertenties
Gepost door: Frank de Zanger | mei 7, 2018

Gedicht ‘Voorjaar’

vrouwenoog,836x438

VOORJAAR

 Het voorjaar is verschenen.

Tijd voor minder kopzorg.

Wat een winter lang zich heeft vergaard,

is met het zonne-strijkend-licht ineens verjaard.

 –

Veel komt weer bloot te liggen.

Veel potentie komt op drift.

Hiervoor komen wij uit onze holen,

waarin we ons een winter lang verscholen.

Zinnen worden geprikkeld.

En … opgelet, dit is voor mannen:

Door het kijken naar borsten van vrouwen

met blonde of met donkere haren,

verlengen we ons leven met vijf potente jaren.

 © Frank de Zanger

Uit roman ‘GEZIEN DE GEKTE’ van Frank de Zanger

ISBN 978-90-820784-1-1, prijs boek €6,95; eBoek €3,95

 Romans/eBoeken/Luisterboeken van Frank de Zanger zijn te verkrijgen/bestellen bij uw boekhandel en bij webwinkels. Meer informatie bij Uitgeverij Tournesol: www.tournesol.nl

Gepost door: Frank de Zanger | mei 4, 2018

Gedicht ‘Herdenken in Mei’

Dodenherdenking-1050x557

HERDENKEN IN MEI

Herdenken in mei

is er voor de Gestapo en SS niet bij.

Zij moordden naar hartenlust.

Velen van deze criminelen

hebben de galg uitvoerig bezongen

en zijn zelf de dans ontsprongen.

 

Herdenken is niet weggelegd

voor de moordenaars van 40-45.

Zo nodig worden zij alsnog berecht.

Executie bij vol daglicht,

 zoals in mijn zwarte dromen.

Ja, zover heeft het kunnen komen.

 

Herdenken is niet weggelegd

voor mensen die willens en wetens

anderen hebben kapot gemaakt,

de gaskamers hebben ingedreven.

Zij moeten worden uitgesloten,

voor eeuwig worden uitgestoten.

 

Herdenken is niet weggelegd

voor het geteisem uit de oorlog.

Laat ze postuum nog maar proberen

door berouw het tij te keren.

Wie weet lukt het wel,

anders … eeuwig branden in de hel.

 

Herdenken is alleen weggelegd

voor de slachtoffers van 40-45.

Verdedigers van land en huis.

Vergeven kunnen wij alleen

de volgzame dwazen, die niet wisten

wat ze onder de waanzin misten.

© Frank de Zanger

 – –

uit roman ‘GEZIEN DE GEKTE’

  ISBN: 978-90-820784-1-1, prijs boek €6,95 / prijs eBoek €3,95

Romans/eBoeken/Luisterboeken van Frank de Zanger zijn te verkrijgen/bestellen bij uw boekhandel en bij webwinkels. Meer informatie bij Uitgeverij Tournesol: www.tournesol.nl

Gepost door: Frank de Zanger | april 26, 2018

Modeltekeningen/Model drawings VIII

Romans/eBoeken/Luisterboeken van Frank de Zanger zijn te verkrijgen/bestellen bij uw boekhandel en bij de webwinkels. Zie Uitgeverij Tournesol: www.tournesol.nl

Tekeningen door ©Frank de Zanger  / Drawings by ©Frank de Zanger

Frank de Zanger, model, hoofd, 2018

Frank de Zanger, model, 2018

 

Frank de Zanger, model, staand, 2018

Frank de Zanger, model, staand, 2018

Wilt u reageren? Geef een reactie onderaan dit bericht.

afbeelding Boris,luchtruim

afbeelding Frank de Zanger

 

BORIS                                           Luchtruim, 1995

Hij was mij direct opgevallen toen ik het gangpad doorliep, deze zware man met zijn stekende, kleine ogen en zijn stekeltjeshaar. Mijn instapkaart verwees mij naar de stoel pal achter hem. Er was iets aan hem, dat mij meteen alarmeerde. Ik wist niet precies wat het was, maar mogelijk was het zijn arrogante blik en de manier waarop hij schuin onderuit gezakt in zijn stoel hing. Maar goed, eenmaal op mijn plaats werd de man grotendeels aan mijn gezichtsveld onttrokken en het enige waar ik behoefte aan had, na een hectisch project in Indonesië, was een ontspannen reis naar Amsterdam.

Helaas deze rust was mij niet gegund, en dit werd toch veroorzaakt door de man voor mij. Hij begon als een bezetene tijdschriften door te bladeren, die hij bij pakken tegelijk uit de lectuurbakken had gehaald. Hij sloeg de bladzijden agressief om, en gunde één pagina niet langer dan drie seconden zijn blik. De bovenkant van zijn stierennek en zijn stekeltjeshaar kwamen boven de leuning uit, die hij in de meest achterover hellende stand had gezet. Het viel mij op dat boven aan zijn nek zich bestekelde, horizontale huidplooien hadden ontwikkeld, die merkwaardig genoeg tot bijna aan zijn kruin doorliepen. Zo nu en dan slingerde hij een arm over zijn stoelleuning naar achteren. Dan hing er een hand zo groot als een kolenschop voor mijn gezicht. Alles tot daar aan toe, maar wat echt hinderlijk was, waren de kranten en tijdschriften die zich bij mijn benenruimte begonnen op te stapelen. Ik had mijn benen nog niet gestrekt en daardoor kon Boris (want zó moest hij heten) iedere vier minuten een afgewerkt tijdschrift op de hoop onder zijn stoel schuiven.

We moesten de riemen vastmaken. Boris stopte zijn geblader, schoof nog drie tijdschriften op de stapel, en duwde zich met zo’n kracht naar achteren in zijn stoel dat het aluminiumframe kraakte. Terwijl wij steil omhoog de lucht in schoten, hield ik de stapel tijdschriften met mijn voeten in bedwang. Een doordringend toontje gaf aan dat de riemen weer los konden. Meteen ontstond er een ontspannen sfeer. Er kon wat gelopen worden, en het drankje of de borrel zou weldra op een karretje verschijnen. De ontspannenheid was niet doorgedrongen tot de passagier voor mij. Boris had een vers tijdschrift opgediept en bladerde er weer driftig op los. Ik had zo langzamerhand wel eens zin om mijn benen te strekken, maar de stapel lectuur voor mij op de grond maakte dat onmogelijk. Plompverloren mijn schoenen op de stapel plaatsen vond ik wat al te bot. Hoe dit aan te pakken? Natuurlijk kon ik hem aantikken en vragen of hij zijn tijdschriften wilde weghalen, maar zijn hele optreden nodigde niet uit tot een gesprek. Ik besloot tot een andere aanpak. Ik zou langzaam het hele zaakje naar voren schuiven, dan zou Boris dit wel merken. Hij zal bij zichzelf denken: ‘ah natuurlijk, ik zit de benenruimte van mijn achterbuurman vol te proppen, dat kan niet. Ik zal het wel even weghalen en die tijdschriften terugzetten in de lectuurbakken, dan heeft een ander er ook nog wat aan’. Zo zou het gaan. Waarom het slechtste gedacht van een willekeurige medepassagier?

Langzaam schoof ik de stapel naar voren. Na enkele centimeters kwam ik er niet verder mee. Ik voelde zelfs een zekere tegendruk ontstaan en het pakket tijdschriften kwam weer een beetje terug. Ach Boris heeft er geen erg in en schuift toevallig zijn maat 46 een beetje naar achteren. Ik zal toch iets meer druk achter het geheel moeten zetten.

Ik schoof met beide voeten de stapel voorwaarts. Weer haperde de hele berg. Maar toen ineens schoten de tijdschriften weg. Maar niet recht naar voren! Ze hadden een uitweg gevonden naar de zijkant. Ik zag dan ook een hele reeks magazines het gangpad opschieten. Ze passeerden Boris en bleven toen als een waaier uitgespreid in het gangpad liggen. Het stekeltjeshoofd voor mij bewoog nu helemaal niet meer. Daarna verdween het uit mijn gezichtsveld, maar het kwam langzaam aan de zijkant van zijn stoel weer te voorschijn. Uit zijn vervaarlijk brede kop schoten twee laserstralen naar mij toe. Ik zei: ‘Sorry, ik schoot uit met mijn been. Maar zou u die stapel tijdschriften weg willen halen. Ik kan mijn benen niet kwijt.’

Ik schrok behoorlijk van zijn kop, en als verdediging zette ik een paar ogen op die zijn laserstralen lieten verbleken als het schijnsel van een zaklantaarntje. Hij draaide zijn kop weer terug en trok met een ruk de resterende tijdschriften weg onder zijn stoel.

Was het daarbij gebleven, dan zou ik dit verhaal niet hebben geschreven. Boris kwam weer terug. Opnieuw langszij, dit keer met een arm erbij. Hij keek mij vreemd aan, alsof hij door me heen keek en zei (in het Engels): ‘Kom, ik wil je wat laten zien!’ Hierbij maakte hij een beweging met zijn hand zoals een vader zijn peuter roept. Ik was nu hevig gealarmeerd. Wat hij wil, dacht ik, is dat ik naar voren buig om beter te kunnen zien (wat het dan ook mogen zijn) en dan geeft hij mij een dreun op mijn gezicht met die enorme kolenschop die daar nu langszij hangt. Ik drukte mij nog verder naar achteren in mijn stoel en vanuit die positie zei ik: ‘Nee, dank u hartelijk, de tijdschriften zijn verwijderd. Ik kan nu mijn benen kwijt.’

Weer klonk er: ‘Kom, kom, ik wil je wat laten zien!’

Uiterst geïrriteerd nu door zijn arrogante ‘kom, kom’, zei ik nu bits dat bij mij nu alles in orde was en dat ik bedankte voor iedere verdere uitleg, van welke aard dan ook. Ik zag in mijn linker ooghoeken de Duitse vrouw naast mij aan het raam (één lege stoel tussen ons in), die ons ‘gesprek’ aandachtig had gevolgd, als een banaan in elkaar krimpen. Het hoofd van Boris keek me nu licht verbaasd aan, en verdween weer achter de leuning. Nog vóór de landing in Singapore kwam zijn hoofd nog eens, nu in volle glorie, boven de leuning uit. Vier ogen doorboorden elkaar.

Tijdens het traject naar Amsterdam herhaalde zich het ritueel. Hij kwam wat naar boven, draaide zich om en keek mij doordringend aan. Ik keek terug met dezelfde intensiteit. Ineens stond hij op en opende het bagageluik boven hem. Dit was mijn kans om hem duidelijk te maken dat ik niet bang voor hem was. Ik stond op, opende de bagageruimte boven mijn stoel en deed alsof ik iets wilde pakken. Ik stond vlak naast hem, alleen gescheiden door zijn stoelleuning. Wij waren even lang, maar hij was anderhalf keer zo breed als ik, en ik schatte hem twee keer zo zwaar. We keken elkaar aan: vier lazerstralen.

Een deel van de verdere terugreis besteedde ik aan het uitstippelen van mijn ‘plan de campagne’. Grote genade, deze vent is levensgevaarlijk. Als we straks landen op Schiphol staat hij mij aan het eind van de slurf op te wachten en slaat me in elkaar! Ik groef terug in mijn karatelessen. Was anderhalf jaar onderricht, weliswaar van een echte Japanner, voldoende om deze stier met stekelharen van mijn lijf te houden? In gedachten herhaalde ik een aantal eenvoudige, maar doeltreffende ‘kicks’ en ‘punches’. Snelheid was geboden. Daar kwam het op aan! Waarschijnlijk was snelheid het enige warmee ik hem de baas zou kunnen blijven.

De landing werd ingezet. Even later taxieden we naar de slurf, die al uitnodigend op ons wachtte. We stonden op van onze plaatsen. Ik keek recht op zijn stierennek. Hij draaide zich om. En toen gebeurde het… Hij stak zijn hand naar mij uit. In een roes greep ik zijn hand en voelde een stevige handdruk. Hij schudde mijn hand een paar keer flink op en neer. Ik keek in één van de vriendelijkste gezichten die ik de laatste jaren heb gezien. We hebben geen woord meer gewisseld.

© Frank de Zanger, uit ‘WERELD-IMPRESSIES VAN EEN JETPLANE-NOMADE’, zie Uitgeverij Tournesol

* * *

De Romans/eBoeken/Luisterboeken van Frank de Zanger zijn te verkrijgen/bestellen bij uw boekhandel en bij webwinkels. Zie Uitgeverij Tournesol: www.tournesol.nl

 

afbeelding Project

afbeelding Agnes de Zanger

 

EEN NIEUW PROJECT                                   Bangladesh, 1997

Het was op een gewone doordeweekse avond dat ik de Nederlandse Club in Dhaka inliep om een biertje te drinken. Twee illustere clubleden stonden aan de bar. Om anonimiteit te garanderen zal ik de heren schuilnamen geven; ik maak er Willem en Piet van.
Willem, zal ik maar zeggen, zit in de textiel. Ik zou hem niet dik willen noemen, zeker niet waar hij bij is, maar een zekere corpulente, wat gedrongen bouw heeft hij toch wel. Willem spreekt alsof hij uit Wassenaar komt; toch is hij geboren en getogen in Ommen.
Piet, om hem zo maar te noemen, werkt voor een concurrerend ingenieursbureau en is een echte Hagenaar. Zijn tongval is dan ook typisch Haags. Piet is lang en slank van bouw. Ik zou hem daarentegen niet voor bonenstaak of zo willen uitmaken; zeker niet waar hij bij is. Wij hadden het volgende gesprek, waarin zaken doen en flexibel reageren de boventoon voerde. Vele managers kunnen hier nog wat van opsteken.

Piet: ‘Hé joh, is dat niets voor jou?’
FdZ: ‘Wat? Wat bedoel je?’
Piet: ‘Nou, dat plan dat we hebben met de Noordzee!’
FdZ: ‘Sorry, ik kan je even niet volgen. Welk plan is dat?’
Piet: ‘Nou, dat we de zaak gaan opspuiten daar; hè. We hebben ruimte nodig, toch!’
FdZ: ‘We hebben ruimte nodig?’
Willem: ‘Ja, maar we laten de Doggersbank met rust!’
FdZ: ‘Oh ja, waarom is dat?’
Willem: ‘Vanwege de haring! Nee, de haring moet vrij kunnen zwemmen. Hou je niet van haring?’
Piet: ‘Ja, dat blijft puur natuur. Wat groeit, groeit; wat bloeit, bloeit. Maar, het gaat wel om de haring! We hebben nog een environmentalist nodig. Is dat niet iets voor jou?’
FdZ: ‘Oh, dus jullie gaan de Noordzee ontwikkelen!’
Piet: ‘Ja, zo zou je dat kunnen zeggen.’
FdZ: ‘Ik heb een grote argwaan tegenover projectontwikkelaars.’
Willem: ‘Dat is volkomen terecht; maar dit is anders.’
Piet: ‘Hé, moet je niet wat hectaren kopen. En niet van dat benauwde, hè. Plots van minimaal duizend vierkante meter. Boot in je achtertuin; je moet lekker kunnen vissen!’
Willem: ‘Ja, en we gaan ook aan sociale woningbouw doen!’
Piet: ‘Ja, maar niet te veel.’
Willem: ‘Niet te veel.’
FdZ: ‘Jullie weten dat Wim de Bie tegen is, hè.’
Piet: ‘Ohhh, maar dat is een eenling! Laat naar je kijken!’
Willem: ‘Ja, en Schiphol sluiten we gelijk. Dat is niets; een soort kindercrèche vergeleken bij wat wij daar gaan realiseren. Hup, dicht met die handel. Er komt een echt vliegveld!’
Piet: ‘Is dat niet iets voor jou. We zoeken nog een environmentalist, die dat es allemaal haarfijn gaat zitten uitpluizen.’
FdZ: ‘Nou, wacht even. Oké, maar dan als geflipte milieuman, anders kan ik het niet maken!’
Willem: ‘Nee, dat is prima.’
FdZ: ‘Maar hoe gaan jullie dempen? Oh, Ik weet het al, met afgekeurde T-shirts!’
Willem: ‘Kan, ja… kan.’
Piet: ‘En aan de buitenzijde, de zeezijde zal ik maar zeggen, zetten we hoge vlaggenmasten neer. Zestig vlaggenmasten, hè Willem.’
Willem: ‘Hele hoge!’
FdZ: ‘Oh ja, waarom is dat?’
Piet: ‘Om die Engelsen te laten zien dat we er nog zijn. Wat zeg jij, Willem?’
Willem: ‘Ja, iedere morgen het Wilhelmus, en die vlaggen omhoog; hup, veertig meter!’
FdZ: ‘Wat zeg je me nou?’
Willem: ‘Ja, ze worden veertig meter hoog!’
Piet: ‘Minstens. Hé, we hebben nog tweeëndertig hectaren over. Iets voor jou? Hé, nemen we er nog één?’
FdZ: ‘Ja, oké, biertje. Maar die vlaggenmasten; ik vind zestig niet voldoende. Het moeten er minstens vijfenzeventig zijn!’
Piet: ‘Ik zeg toch, het worden er vijfenzeventig!’
FdZ: ‘En zestig meter hoog; veertig is te weinig. Nee, als we het doen moeten we het goed doen.’
Willem: ‘Prima, prima; dat is geen enkel probleem. Hé, hoe groot moeten die vlaggen worden? Hebben we het daar al over gehad?’
FdZ: ‘Oh, twaalf bij vijftien meter!’
Piet: ‘Hoe weet jij dat nou zo precies?’
FdZ: ‘Oh, dat weet ik.’
Piet: ‘Nee, dan is het goed. Ja, we moeten die Engelsen goed laten voelen dat we er nog zijn.’
FdZ: ‘Ja, vroeger hebben we die ketting over de Thames toch kapot gevaren. Wie was dat, Willempje III of zo?’
Willem: ‘Ja, en als het nodig is doen we het weer!’
Piet: ‘Zouden ze die nog hebben, die ketting?’
Willem: ‘Hé, meisje, wil je ook mee doen?’
(meisje in lange jurk is naast ons aan de bar komen zitten)
Willem: ‘We hebben nog een… een nimf… een meermin… een zeemeermin nodig; een mascotte! Uhh, Piet, zet haar eens in de juiste positie…. Ja zo, goed zo…. Ja, de juiste lijn.
Nou nee, dat been moet wat hoger opgetrokken. Ja, zo!’
(meisje licht haar jurk wat op, zodat een been even zichtbaar wordt)
Piet, Willem, FdZ: ‘JAAAAAAAAA!!!!!!!! ZOOOOOOOOOOOOOO!!!!!!!!!!!’
Piet, Willem, FdZ: ‘MEISJE WAT WIL JE DRINKEN?’

© Frank de Zanger, uit ‘WERELD-IMPRESSIES VAN EEN JETPLANE-NOMADE’, zie Uitgeverij Tournesol

* * *

De Romans/eBoeken/Luisterboeken van Frank de Zanger zijn te verkrijgen/bestellen bij uw boekhandel en bij webwinkels. Zie Uitgeverij Tournesol: www.tournesol.nl

 

afbeelding Gevecht,Israel

afbeelding Laura de Zanger

 

GEVECHT MET DE DUIVEL                                   Israël, 1999

Je ziet ze wel eens langs de weg: de oenen die een jerrycan dragen naar hun auto die ergens zonder benzine staat. Je vraagt je dan af hoe ze dat is overkomen in een land als Nederland, of ergens anders in Europa. Overal zijn tankstations, en auto’s zonder benzinemeters bestaan ook al een slordige honderd jaar niet meer. Het zijn waarschijnlijk die zeldzame, vreemde situaties, die geboren worden uit een complexe en toevallige samenloop van omstandigheden die niemand van te voren kan bedenken. Het zijn waarschijnlijk ook de situaties die helaas vaak een ongeluk ten gevolge hebben. Niet te voorspellen, niemand wil het, en toch gebeurt het. De duivel regeert.

Hoe is het mogelijk dat drie ervaren consultants, die ieder voor zich meer dan de halve wereld hebben afgereisd en op de gekste plaatsen zijn geweest, zonder benzine komen te staan. En dat niet langs een drukke snelweg ergens in de bewoonde wereld, maar in de Negev Woestijn in Israël. Ik moet zeggen bijna zonder benzine, zodat het een situatie werd waarin je rondgeslingerd wordt tussen gevoelens van hoop, volkomen machteloosheid, geloof in de voorzienigheid en geloof in je eigen kracht om de voorzienigheid te breken. En het gekke is dat zich dan ook weer situaties voordoen die je weer uit de puree kunnen halen, maar daar moet je dan wel héél omzichtig mee omgaan. De ‘postman only rings twice’.

Zo gaan er zaken goed en zo gaan er zaken fout. De duivel speelt ermee. We zullen zelf de confrontatie met hem aan moeten gaan om greep te blijven houden op ons eigen lot. Wat er fout ging in de Negev, was verhuld in de mededeling van mijn collega K. – die achterin de auto zat – aan J. achter het stuur: ‘Stop eens even; we hebben volgens mij de afslag gemist.’ Geen leuke mededeling voor de kaartlezer, en dat was ik in dit geval. J. stopte de wagen langs de weg. We waren ’s ochtends om half zes vertrokken, en nu onze horloges op zeven uur stonden, bevonden we ons dus zo’n anderhalf uur rijden de woestijn in.

De kaart werd weer uitgevouwen. Het was duidelijk dat we de weg naar links – die ons pal langs de Egyptische grens had moeten houden – al lang hadden moeten tegen komen. We waren wel een weggetje aan onze linker zijde gepasseerd, maar mijn conclusie was geweest dat het een te smalle weg was om de onze te kunnen zijn. Je zult je afvragen waarom we de kaarsrechte weg langs de grens wilden volgen, terwijl er een meer bochtige en gevarieerde weg ons langs de mooiste plekken in de Negev Woestijn kon voeren. Het antwoord is dat we een afspraak hadden met een Palestijnse minister in Gaza, en die afspraak was gemaakt om elf uur. En dat was mogelijk: vertrekken om half zes uit Eilat, strak langs de grens rijden en op deze wijze langs de kortste route naar de Gaza Strook.

Het ging dus duidelijk fout, want we zouden moeten omkeren en ongeveer een half uur moeten terug rijden. Maar zaken hebben de neiging om gecompliceerd te worden. J. achter het stuur zei – nadat hij een tijdje heel stil was geweest: ‘Nou, misschien is het niet zo gek om maar door te rijden, want we zitten bijna zonder benzine!’ Ja, en dit is dus het moment dat iedere oen meemaakt die ergens zonder benzine komt te staan. Je kunt het domweg niet geloven! Het was merkwaardig stil in de auto, en ieder voor zich ging even terug in de tijd om zich weer te herinneren dat we natuurlijk niet getankt hadden toen we twee dagen terug ’s nachts vanuit Jeruzalem in Eilat waren aangekomen, en ook niet toen we de volgende dag heerlijk onder de warme zon aan het strand hadden gelegen en in de Rode Zee hadden gedobberd.

Dit zijn dus de dingen die gebeuren en waarvan je niet gelooft dat ze gebeuren. Dat niet één van ons drieën had opgemerkt dat de benzinemeter praktisch op nul stond! En zo speelde de duivel met ons. Maar de goden sloegen terug, want het bleek dat we onder de omstandigheden tóch het beste hadden gedaan. Het eerst volgende benzinestation lag volgens de kaart op de route die we volgden, zo’n zestig kilometer verderop. Als we onze zijweg naar links hadden genomen – én we hadden tijdig op de benzinemeter gekeken – dan hadden we om moeten keren, terug naar Eilat, omdat op die route helemaal geen tankstation te vinden was. Toch wel een blamage al met al, want er wachtte een minister op ons, weet je. Volgens J. zou er nog wel een liter of vijf in de tank zitten, en één op 12 à 13 kilometer per liter lopend, zou deze middenklas-Japanner ons toch naar Mitzpeh Ramon moeten kunnen brengen, waar we onze benzinetank weer vol konden gooien.

Wat kan een stemming toch grandioos omslaan. De duivel was verslagen. We zouden straks weer kunnen tanken en daarbij kwam dat we nu een veel mooiere route reden door weidse valleien in schitterende rode tinten, een soort maanlandschap met één fascinerend kenmerk: ruimte. Dat we nu een beduidend langere weg reden dan we gepland hadden, beseften we wel, en we dachten natuurlijk wel aan die minister, maar niemand begon erover. Je moet de dingen één voor één afhandelen.

De duivel had intussen gebroed op wraak en had de tijd weer naar zijn hand gezet, want ineens brult J.: ‘Shit! Weet je wat voor een dag het vandaag is?’ Er kwam noch van K., noch van mij antwoord. ‘Sabbat!’, gooide J. eruit, ‘We zitten hier in Israël, niet in Palestina! Dat benzinestation is waarschijnlijk niet eens open!’ Hij ging direct zachter rijden, waarmee hij de duivel toch even op de tenen trapte, want zo’n auto gaat meteen zuiniger rijden.

Ja, wat doe je dan. Natuurlijk gewoon doorrijden, maar zachter blijven rijden, zodat je hopelijk toch dat gehucht bereikt. We waren nog maar één auto tegengekomen en ik zag ons al lopen langs de weg… De duivel had toch wat bereikt, want het werd weer erg stil in de auto. Toch zorgt dat weer voor een reactie. Ik zei: ‘Nou straks in Mitzpeh Ramon, een lekkere espresso en een croissantje, en we kunnen er weer tegen.’ Gelach achterin, schril cynisch, dat wel.

Het rode lampje van de benzinemeter lichtte zo nu en dan op. De wijzer ging echt hangen. Je begrijpt het zelf niet als je na die zestig kilometer, met het waarschuwingslampje van de benzinemeter al twintig minuten op rood en de wijzer op zijn laagste stand, vanuit de Machtesh Ramon Vallei omhoog bent gekropen en het benzinestation binnenrijdt en je ziet dat daar twee vrolijke pompbedienden staan die niet beter weten dan dat ze gewoon de tank moeten bijvullen, en je vraagt of er wat te eten is en ze wijzen je een hotel en je zit vijftien minuten later inderdaad achter de espresso met een croissantje in je hand.

Ik schatte de stand van het gevecht met de duivel toch zeker op 2-1 voor ons, maar twijfelde daar weer aan toen we, met de kaart voor ons op tafel, tot de conclusie kwamen dat we pas om half één in Gaza konden zijn. Daar wachtte een minister, weet je. Toen we om één uur in Gaza waren, bleek de minister vertrokken te zijn. We verloren op punten. Maar later hoorden we weer dat die minister te weinig tijd voor ons zou hebben gehad die dag, en dat het toch eigenlijk veel beter was geweest om later af te spreken.

De duivel was dus volledig verslagen. Maar hij heeft intussen zo van die geniepige trappen achteruit: bijvoorbeeld die bon voor te hard rijden onderweg, in de woestijnstad Beersjewa, à zevenhonderd gulden.

© Frank de Zanger, uit ‘WERELD-IMPRESSIES VAN EEN JETPLANE-NOMADE’, zie Uitgeverij Tournesol

* * *

De Romans/eBoeken/Luisterboeken van Frank de Zanger zijn te verkrijgen/bestellen bij uw boekhandel en bij webwinkels. Zie Uitgeverij Tournesol: www.tournesol.nl

afbeelding Luchtruim

afbeelding Laura de Zanger

 

EEN HEL TUSSEN HEMEL EN AARDE                         Luchtruim, 1996

Op dat moment zag ik het nog luchtig in. Ik liep naar achteren op zoek naar mijn plaats. Nog verder naar achteren. Zover achterin heb ik nog nooit gezeten! Het enige waar ik nog iets aan had kunnen doen, was mijn positie in de rij. Ik had een plaats aan het gangpad gevraagd.

Alles liep naar wens op deze vlucht naar Jakarta: het opstijgen, de eerste bocht, de lampjes die aangaven dat bijna alles weer mocht. Maar toen begon het.

De man naast mij haalde een pakje sigaretten te voorschijn. De aansteker had hij bij zijn sigaretten in het pakje zitten: een onafscheidelijk paar. Ik wist het meteen: naast mij zat een kettingroker. Hij klopte een sigaret uit het pakje, en in een razendsnelle beweging stak hij er de brand in. Door een mysterieuze luchtstroom ging de blauwgrijze rook steevast eerst mijn kant op, steeg dan omhoog, en verdween boven de bagagebakken in een sleuf. Grote genade, moet ik hier dertien uur in zitten? Ik kreeg acuut hoofdpijn. Om mij heen flitsten de aanstekers aan, en een vette rook verspreidde zich achterin het vliegtuig. Toen mijn buurman zijn sigaret had uitgedoofd, bleek dat mijn voorgevoel juist was geweest. Direct stak hij een nieuwe op. Mijn god, er zit een maniak naast me! Ik keek eens naar hem. Hij zag er normaal uit. Niets aan hem deed vermoeden dat hij wat mij betreft meteen opgenomen kon worden. Zijn makker naast hem stak er ook gezellig nog eentje op.

Achter mij klaagt een passagier. Hij heeft een steward aangesproken. Ik hoor dat hij niet beseft heeft dat deze vliegmaatschappij nog roken toestaat op zijn vluchten. Bepaalde routes nog wel, wordt er beleefd geantwoord. De man is kwaad. Maar hij zit in de val, net als ik, want ik heb gehoord dat het een volle bak is vandaag. Toch probeer ik het als de steward bij mijn rij is aangekomen. Even later komt hij terug en zegt dat er helemaal voorin toch nog een plaats over is in het niet-rokers gedeelte. Of ik maar wil volgen. Opgelucht loop ik achter hem aan. Toch nog ontsnapt!

‘Ja,’ zegt de steward, ‘deze plaats is vrij, want de passagier die er zat is ziek geworden.’

Als ik bij de lege stoel sta, slaat mijn vreugde om in stomme verbazing. Kan het vliegend personeel dan niet zien dat ik twee benen heb! De ruimte vóór de stoel wordt voor de helft in beslag genomen door een uitstulping van de deur van een nooduitgang. Maar, de drang is groot. Ik wil het uitproberen. De man die naast de vrije plek zit begint geërgerd zijn tijdschriften van de zitting te halen. Ik ga zitten, maar mijn eerste indruk was juist. Deze plek is alleen geschikt voor eenbenigen, en dan wel voor dié categorie die een linker been bezitten. Ik sta op. Geïrriteerd loop ik weer naar achteren. Hoe durven ze die plaats te verkopen! Geen wonder dat die passagier gestoord is geraakt. Waar moet je je rechter been laten? Misschien heeft hij zo geklaagd, dat ze hem in de business-class hebben gezet. Moest ik óók maar doen. Maar de steward is ineens spoorloos verdwenen, en ik loop dus maar weer naar mijn oude plaats. Mijn buurman heeft net weer een verse opgestoken. Dichte rook hangt er nu in de achterbuurt. Ja meneer, dan had u ook maar eerder moeten inchecken, dan had u een plaats voorin kunnen krijgen!

Ik zit in de donkere Middeleeuwen. Het hoofd van mijn buurman begint te lijken op de exemplaren die Bruegel zo aardig kon uitbeelden. Ik verwacht nu ieder moment in het gangpad, uit de rook te voorschijn komend, een steward in blauwe kiel die een kruiwagen gedroogde mest naar achteren rijdt om de motoren daar eens lekker op te poken. Je ziet nu ook dat wanneer het echt nodig is die zuurstofmaskers niet uit het plafond komen vallen.

Ik heb nog geen woord tegen mijn buurman gezegd. En ik hoop dat vol te houden tot Singapore, waar hij en zijn kornuit hopelijk zullen uitstappen.

Gelukkig zijn ze na Singapore inderdaad verdwenen. Ik schuif twee plaatsen op om naar buiten te kunnen kijken. Even later komt een jonge man op mijn rij op de gangplaats zitten. Hij kijkt niet op of om, maar begint meteen een sigaret uit een pakje te frommelen, steekt hem aan en begint te inhaleren als een beest. De man verbruikt twee keer zo veel zuurstof als waar hij recht op heeft. Het is duidelijk. Hij komt van voren, uit het rookvrije gedeelte, en komt zich hier weer even op niveau nicoteren. Hij kijkt strak voor zich uit en zuigt aan zijn sigaret alsof hij ademnood heeft. Er is geen steward of stewardess te zien.

Aspirientjes hielpen niet meer. Mijn droge keel was niet meer te smeren, de schade aan mijn gezondheid niet te peilen. Ik zou hier graag eens met de bedrijfsarts van de vliegmaatschappij over willen praten, zo onder een borrel, zonder nou meteen een schadeclaim op tafel te leggen.

Nee, er is maar één oplossing voor rokers die willen vliegen en roken: vluchten voor uitsluitend rokenden! Ik stel het me voor: zo’n grote jumbo met alleen rokers erin. Een hel tussen hemel en aarde.

© Frank de Zanger, uit ‘WERELD-IMPRESSIES VAN EEN JETPLANE-NOMADE’, zie Uitgeverij Tournesol

* * *

De Romans/eBoeken/Luisterboeken van Frank de Zanger zijn te verkrijgen/bestellen bij uw boekhandel en bij webwinkels. Zie Uitgeverij Tournesol: www.tournesol.nl

afbeelding Zandbak,Bahrein

afbeelding Laura de Zanger

 

IS ER SPEELRUIMTE IN DE ZANDBAK?                        Bahrein, 1991

‘Dames en heren hier uw gezagvoerder, ik heb helaas niet zo’n erg plezierig mededeling… Kon ik u nog niet zo lang geleden berichten dat het weer goed was… nu moet ik u vertellen dat wij in verband met een zware zandstorm niet in Riaad kunnen landen en… moeten uitwijken naar het kustgebied. Zo ver wij het nu kunnen bekijken, kunnen we landen in Bahrein. Daar zullen we zien wat ons verder te doen staat. Wij houden u verder op de hoogte als er nieuwe ontwikkelingen zijn.’

Deze mededeling kwam rustig door in de KLM-Boeing 747, die onderweg was van Sri Lanka naar Schiphol Airport. Dat er toch sprake was van enige nervositeit in de cockpit bleek uit – in principe – het zelfde bericht, maar dan in het Engels, dat meteen volgde. De gezagvoerder had het nu over een ‘snowstorm’, terwijl dat toch een wel zeer uitzonderlijk fenomeen is boven Saoedi-Arabië.

Het toestel zwenkte vrijwel onmiddellijk en zette koers naar Bahrein. Er volgden nog meer mededelingen uit de cockpit. De gezagvoerder hoopte dat wij na een verblijf van enige tijd in Bahrein alsnog naar Riaad konden doorvliegen om daar de circa honderdenzeventig wachtende passagiers alsnog op te halen.

Zelfs aan de kust was de lucht geelbruin van het woestijnstof. Eenmaal aan de grond, voelde ik mij opgelucht en was blij dat ik met een maatschappij vloog die met dit soort zaken geen risico neemt.

Ik had reden om mij opgelucht te voelen, omdat een vlucht midden in zo’n woestijnstorm boven Libië mij nog vers in het geheugen lag. Het was tijdens een vlucht van Benghazi naar Tripoli met een toestel van Libian Airways, dat volgepakt was met rekruten van het Libische leger. Ik denk dat de meesten van hen nooit eerder hadden gevlogen en dachten dat het normaal was dat het vliegtuig, behalve voorwaarts, ook alle andere kanten op bewoog. Zelf had ik al heel wat afgevlogen, maar dit had ik nooit eerder meegemaakt. De ene luchtzak volgde op de andere. Ik verwachtte dat ieder moment de vleugels zouden afbreken, maar – om me heen kijkend – zag ik niets anders dan lachende jonge Libiërs. Het moet aan mijn gebrek aan ervaring hebben gelegen om een kameel te berijden, dat ik wit in mijn stoel hing. Deze jongens om mij heen bereden de luchtkameel en er was dus niets aan de hand. De jongen naast mij sprak me aan in gebrekkig Engels en vroeg of ik me niet goed voelde. Ik vertelde hem waarom ik dacht dat mijn laatste uur geslagen had. Ik zag hem direct wit wegtrekken en onzeker om zich heen kijken. Zijn kameraden waren druk in gesprek met elkaar… met de moed der onwetenden.

Het mag duidelijk zijn dat het allemaal goed is afgelopen daar in Libië, maar ik was nu dankbaar dat ik het niet weer hoefde mee te maken. Via de intercom legde de bemanning uit dat zij er alles aan zouden doen om de wachtende passagiers in Riaad op te pikken, omdat inmiddels duidelijk was dat zij de douane gepasseerd waren, vastzaten in de transfer-ruimte, en zich dus in niemandsland bevonden. De Saoedische autoriteiten gaven geen toestemming om dezelfde weg weer terug te keren. Dit bericht werd hilarisch ontvangen door mijn medepassagiers. Immers, moeten uitwijken door een zandstorm en vertraging oplopen is niet zo plezierig, maar opgesloten zitten in een wachtkamer zonder toestemming om weer terug te keren naar hotel of woning, was weer van een heel andere orde onplezierig.

Na uren wachten in een warm aangelopen vliegtuig kwam de mededeling dat de zandstorm niet afgenomen was en dat we ondergebracht zouden worden in een hotel. Nu sloeg hilariteit om in medelijden met de wachtende passagiers in Riaad. Zij zouden de nacht moeten doorbrengen op harde plastic stoeltjes! Het was de vraag of er maaltijden door konden komen en of er gebruik gemaakt kon worden van sanitaire voorzieningen.

Mijn horloge wees tien uur aan. Alleen handbagage mocht mee, en zo werden we met bussen vervoerd en afgeleverd bij een luxe hotel. De ergernis had al plaats gemaakt voor berusting en met het vooruitzicht op een warm bad en een goed bed steeg de stemming met sprongen. In de uiterst luxueuze en koele lobby van het hotel zegen de passagiers op banken en stoelen neer. Er waren geen plaatsen voor alle honderdentwintig passagiers, zodat groepjes naar de balie begonnen te lopen om de sleutels voor hun kamers meteen maar in ontvangst te nemen.

De lokale vertegenwoordiger van de KLM had de leiding en – naar ik hoorde van de purser – kon hij alleen handelen in dit van stof doordrenkte land. Dat was nu eenmaal de strikte regel. Iedereen moest zich persoonlijk inschrijven en daardoor duurde het lang voordat de eerste sleutels werden uitgereikt. Met het zicht op de sleutels begon de menigte zich om de balie te verdringen om zijn of haar sleutel in ontvangst te nemen.

Omdat ik geen zin had om tussen het gedrang te staan, was ik blijven zitten op de grote pluche fauteuil, die ik had bemachtigd. Een half uurtje later naar mijn kamer maakte ook niets meer uit. Het was half één in de nacht, en op het zelfde moment dat ik op mijn horloge keek, ontstond de eerste commotie aan de balie: er waren niet voldoende kamers! De één wilde het niet geloven, de ander werd meteen kwaad, en velen probeerden uitleg te krijgen bij onze KLM-bemanning, waarvan overigens zeker de helft ook nog geen kamer had. De uitleg was simpel. De lokale man was gevraagd om accommodatie te verzorgen voor honderdentwintig passagiers en vervolgens had hij ons naar een hotel gebracht – waarschijnlijk van een vriendje – met beschikbare ruimte voor circa vijfenzeventig gasten.

Het uitdelen van sleutels ging door, maar nu van twee- of meerpersoonskamers. Voor familieleden, kennissen of vrienden was het geen probleem. Maar niet iedereen wilde een kamer delen met een wild vreemde. Ik hoorde daar zelf ook bij. Ik had daar na al het geduvel even geen zin in. Tot nu toe had ik een afwachtende houding aangenomen, maar nu werd het tijd voor actie. Ik wurmde mij naar de balie, maar werd vlak daarvoor geblokkeerd door een wat oudere zakenman in een donker pak. Naast hem stond een aantrekkelijke, blonde vrouw, die met één van de receptionisten in onderhandeling was over een kamer. De zakenman zei, met een bijna zielig stemmetje, dat hij best bereid was om een kamer te delen met de juffrouw naast hem. Er werd niet op gereageerd. Later zag ik hem wel met een gejurkt persoon naar boven gaan, maar deze was een Arabier, en wel van het mannelijk geslacht.

Ik wist de aandacht van een receptionist te trekken en vroeg zeer gedecideerd, en met verheven stem – alsof ik al een week in het hotel zat – of ik mijn sleutel van de ‘single room’ kon krijgen. Vijf seconden later lag er een sleutel in mijn uitgestoken hand. Ik bleef mijn rol spelen, toonde mij niet verbaasd, terwijl er om mij heen nu gevochten werd om sleutels. Ik draaide mij om en drong me uit de menigte.

Het sleutelnummer verwees mij naar de eerste etage. Ik haalde mijn handbagage op en liep met een inwendige glimlach de marmeren trap op. Ik durfde niet om te kijken, bang dat ze achter mij aan zouden komen om de vergissing recht te zetten. De wonderen zijn de wereld nog niet uit zong ik inwendig. Een warm bad en een bed, dacht ik, het komt eraan! Ik kon niet wachten om de deur achter mij te sluiten om zo het tumult achter mij te laten.

Terwijl ik de sleutel omdraaide, de deur openduwde en het licht aandeed, stond het al wel op mijn netvlies geprojecteerd, maar het drong niet echt tot mij door dat er met grote koperen letters ‘MAYONG’ op de deur stond. Dit gebeurde pas toen ik de kamer in mij opnam: vier speeltafels met groene kleden en bijbehorende stoelen. Daarop uitgestald mayong-spellen en alles wat daarbij hoort. Verder, een huisbar, een paar prullerige schemerlampen en een paar dikke leren fauteuils. Dit alles uitgestald op een veelkleurig en hoogpolig tapijt. Ik stond in een mayong-speelhol en er was geen bed te bekennen! Maar goed, om één uur ’s nachts ben je niet te kieskeurig en de afneembare zittingen van de leren stoelen konden ook als matras dienen.

Het mayong-speelhol was in feite een ruime hotelsuite. Er was dan ook een prima badkamer; zelfs voorzien van het standaard pakket aan handdoeken, zeep, shampoo etc. Slapen zou dan misschien wat minder comfortabel zijn dan ik gehoopt had, het warme bad zou volledig aan de verwachtingen voldoen.

In bad liggend, en de zaak nog eens overdenkend in de stoomwolken, kwam er een gedachte bij mij op die ik anders zelden heb: ‘Ik lijk wel gek!’. Ik klom uit bad, pakte de huistelefoon en belde de receptie. Eerst bedankte ik de receptionist heel hartelijk voor de aangeboden kamer, maar voegde er aan toe dat er een probleempje was: er was geen bed! Er werd met verbazing op gereageerd. Hoe dat toch mogelijk was! Daarna vroeg ik of er dan toch nog een bed georganiseerd kon worden. ‘No problem, no problem, a bed is coming’, was het antwoord. Ik wilde bijna de hoorn op de haak leggen, maar bedacht me dat dat bed natuurlijk wel zou komen, alleen de vraag was: wanneer? Volgende week zou beslist te laat zijn. Ik vroeg dus ‘when?’, en het antwoord daarop was ‘ten minutes mister’. Zeker wetend dat ik in Bahrein geen fatsoenlijk bed meer zou zien, zeeg ik weer in bad. Tien minuten later ging de deurbel. Ik stapte het stomende bad uit en sloeg een handdoek om. Voor de deur stonden twee glimlachende hotelbedienden met een volwassen opklapbed. De wonderen zijn de wereld nog niet uit, zong ik voor de tweede keer, en dit keer reed het op wielen naar binnen.

De volgende ochtend onthulde dat een deel van mijn medepassagiers de nacht had doorgebracht op een bank in de lobby, anderen hadden op een matras in een bad gelegen, of waren helemaal niet plat gegaan, maar heel vroeg aan het ontbijt geschoven. Er waren er ook, die een echte hotelkamer hadden gekregen.

Nogal verfomfaaid werden wij, met onze handbagage, per bus weer naar het vliegveld gereden. De storm was gaan liggen, de lucht was weer blauw, en de zon blikkerde op het wachtende KLM-toestel, dat ons alsnog naar Riaad zou vliegen.

In Riaad zouden we de nieuwe passagiers als brandhout binnen zien komen. Immers een verblijf van een uur of zeventien in een wachtruimte, opgekruld op een plastic stoeltje, laat beslist zijn sporen achter. En dan de verontwaardiging die we op hun gezichten zouden aflezen over de behandeling door de Saoedische autoriteiten!

Zelden heb ik zo’n montere, vrolijke, uitgeruste groep mensen bij elkaar gezien. Gisteren, na een verblijf van een paar uur in de ‘transfer-ruimte’ was de toestemming gekomen om weer terug te keren in het land van de stofwolken. Daar werden de gestrande passagiers vervolgens in een uitstekend hotel ondergebracht. Een hotel met ruimte genoeg om de hele groep te herbergen.

Het brandhout kwam dus niet binnen, maar zat al op zijn plaats.

© Frank de Zanger, uit ‘WERELD-IMPRESSIES VAN EEN JETPLANE-NOMADE’, zie Uitgeverij Tournesol

* * *

De Romans/eBoeken/Luisterboeken van Frank de Zanger zijn te verkrijgen/bestellen bij uw boekhandel en bij webwinkels. Zie Uitgeverij Tournesol: www.tournesol.nl

afbeelding Binnenplaats,India

afbeelding Mark de Zanger

 

EEN WILLEKEURIGE BINNENPLAATS                        India, 1992

Bij het openduwen van het raam kwam de koude ochtendlucht mij tegemoet. Toen zag ik haar. Op haar hurken, op de kleine binnenplaats achter het hotel. Haar rug naar mij toegekeerd. Aan haar slanke postuur te zien was ze jong. Zij had een rafelige, kleine deken om zich heen geslagen en had een takkenbosje in haar hand waarmee ze de vloer veegde. Een paar kettinkjes om haar enkels waren zo te zien de enige sieraden die ze droeg. Haar haar was dof van het vuil.

Het eerste dat opviel, was dat het vegen geen enkel doel diende. Het vuil werd alleen verplaatst van de plek waar zij zat naar de omtrek om haar heen; net zo ver als het vegertje reikte. Zij zat daar te vegen of het een dagelijks ritueel was. Waarschijnlijk de eerste handeling van de dag. Toch, aangenomen dat het een dagelijkse handeling was, dan zou deze kleine binnenplaats uiteindelijk schoon zijn geworden. Maar, dat was niet het geval. Het weggeveegde stof werd kennelijk nooit op een hoop geveegd om het daarna te verwijderen, want voor zover ik door het raampje kon zien, lag er overal een dikke laag grijs stof. Verder zag ik wat huisafval en een vierkante kartonnen doos. Zij schoof de doos – nog steeds gehurkt zittend – driftig met een hand opzij. Daarna bleef ze zitten, roerloos.

Zij keek opzij, waardoor ik haar gezicht kon zien. Ik schatte haar op een jaar of veertien. Zij was bijzonder mooi. Kennelijk was ze verkouden, want ze haalde haar neus herhaaldelijk en luidruchtig op. Zij had er geen idee van dat ik naar haar keek. Ik begon de situatie gênant te vinden, ging weg van het raam, en ging door met het pakken van mijn bagage. Ik moest op deze november-ochtend mijn reis vanuit dit sjofele – maar ‘best in town’ – hotel vervolgen door de Indiase Staat Uttar Pradesh.

Even later werd ik toch weer naar het raam getrokken door het schrapende geluid van haar vegertje. Inmiddels had zij zich omgedraaid en kwam met hurkpasjes de kant weer op waar zij vandaan geschuifeld was. Haar hele houding verried neerslachtigheid. Zij veegde de plaats waar ze al geveegd had op dezelfde apathische manier aan, zonder op het resultaat te letten.

De binnenplaats was – zover te zien – begrensd door de achterkant van het hotel en een hoge bakstenen muur op ongeveer tien meter afstand daarvan. Tegen de muur aan waren hutjes opgebouwd van allerlei materialen: houten planken, triplex, asfaltpapier. De daken bestonden uit golfplaat, met grote stenen er op om het op zijn plaats te houden. Op het moment dat ik van het raam weg wilde gaan, kwam er uit een van de hutten een jonge man. Ook hij had een deken om zich heen geslagen. Hij stond daar, met een norse uitdrukking op zijn gezicht en voortdurend hoestend, een tijdje naar het meisje te kijken. Toen liep hij op haar toe en gaf haar treiterend een zet. Zij stond op en deed een pas opzij. Weer kreeg zij een zet en hij begon op dreinerige toon tegen haar aan te praten. Steeds weer volgde een duw en probeerde zij dit te ontwijken door een stap opzij te doen. Het meest treurige van de situatie was, dat zij kennelijk niet in de positie was om zich actief te verdedigen. Zij moest het ondergaan. Als om een boze droom te beëindigen, ging ik weg bij het raam. Maar het hielp niet.

Er klonk een schelle vrouwenstem op de binnenplaats. Zo’n viswijvenstem, zoals je in een klucht met ‘over acting’ kunt verwachten. Dit leek niet echt te zijn! Terug bij het raam zag ik een dikke klerenbundel naar buiten schommelen. Zij praatte met de jonge man, die weer voor de hut was gaan staan, en schold het meisje uit. Met tussenpozen duurde het minuten lang. De man gaf haar een laatste duw toen zij langs hen heen liep en in de hut verdween.

Er zaten nog veel meer mensen in die hutten. Ik hoorde kinderstemmen en vrouwenstemmen. Vrouwen kwamen slaperig naar buiten, gehuld in vale kleding en oude dekens. Ik hoorde het gekletter van water pal onder mijn raam. Daar moest een buitenkraan zitten, die als wasplaats diende.

Er kwam een jongetje een hut uit. Hij was duidelijk beter gekleed dan het meisje met de veger. Regelrecht liep hij op de kartonnendoos af die het meisje met een verachtelijk gebaar opzij had geduwd. Hij zette de doos zorgvuldig op een vlak stukje neer en opende hem. Daarna ging hij op zijn hurken zitten, bracht zijn handen naar de bodem, en begon zacht te neuriën. Uit de doos haalde hij een doekje dat zó versleten was, dat je er bijna door heen kon kijken. Hij spreidde het doekje uit naast de doos en streek het vlak. In de doos – ik kon er net schuin inkijken – lag een laagje zand dat ook glad werd gestreken. Daarna ging het doekje met de grootste zorgvuldigheid weer de doos in. Zo bleef het jongetje met zijn ‘speelgoed’ in de weer.

Ik ging verder met het pakken van mijn bagage en dacht er aan dat het nu al koud was ’s nachts, hier in het plattelandsstadje Ballia, ongeveer 120 kilometer verwijderd van de voet van het Himalaya Gebergte. Hoe zou dat wel niet in december en januari zijn!

Er klonken kinderstemmen vanaf de binnenplaats. Terug naar het raam. Twee meisjes van ik schat vijf en acht jaar oud stonden te kwebbelen met een buurmeisje, dat achter een rommelig hek stond. Het meisje met de rafelige deken om stond er ook weer. Nu met een peuter op haar arm. Er was een schrijnend contrast tussen haar, in lompen gekleed, en de andere meisjes, die in kleurrijke schone kleren waren gestoken en strikken in hun haar hadden. Het oudste meisje had een rood gekleurd breiwerkje in haar handen en stond vrolijk babbelend te breien. Gerammel met potten onder een golfplatendak gaf aan dat er eten werd klaargemaakt.

Het meisje in de deken had geen deel aan het ontwakende leven op deze vroege ochtend, in de binnenplaats. Zij stond daar met de peuter op haar arm als een meubelstuk.

Later, rijdend door het vlakke land, vroeg ik mij af wat er gedaan zou worden als de viertienjarige lijfeigene ziek zou worden. Vermoedelijk niets. Ik was getuige geweest van slavernij, anno 1992. Uitbuiting van straatarmen door armen. Een volkomen uitzichtloze situatie had ik onder ogen gekregen door een toevallige blik op een willekeurige binnenplaats.

 Frank de Zanger, uit ‘WERELD-IMPRESSIES VAN EEN JETPLANE-NOMADE’, zie Uitgeverij Tournesol

* * *

De Romans/eBoeken/Luisterboeken van Frank de Zanger zijn te verkrijgen/bestellen bij uw boekhandel en bij webwinkels. Zie Uitgeverij Tournesol: www.tournesol.nl

Older Posts »

Categorieën

%d bloggers liken dit: