afbeelding Gevecht,Israel

afbeelding Laura de Zanger

 

GEVECHT MET DE DUIVEL                                   Israël, 1999

Je ziet ze wel eens langs de weg: de oenen die een jerrycan dragen naar hun auto die ergens zonder benzine staat. Je vraagt je dan af hoe ze dat is overkomen in een land als Nederland, of ergens anders in Europa. Overal zijn tankstations, en auto’s zonder benzinemeters bestaan ook al een slordige honderd jaar niet meer. Het zijn waarschijnlijk die zeldzame, vreemde situaties, die geboren worden uit een complexe en toevallige samenloop van omstandigheden die niemand van te voren kan bedenken. Het zijn waarschijnlijk ook de situaties die helaas vaak een ongeluk ten gevolge hebben. Niet te voorspellen, niemand wil het, en toch gebeurt het. De duivel regeert.

Hoe is het mogelijk dat drie ervaren consultants, die ieder voor zich meer dan de halve wereld hebben afgereisd en op de gekste plaatsen zijn geweest, zonder benzine komen te staan. En dat niet langs een drukke snelweg ergens in de bewoonde wereld, maar in de Negev Woestijn in Israël. Ik moet zeggen bijna zonder benzine, zodat het een situatie werd waarin je rondgeslingerd wordt tussen gevoelens van hoop, volkomen machteloosheid, geloof in de voorzienigheid en geloof in je eigen kracht om de voorzienigheid te breken. En het gekke is dat zich dan ook weer situaties voordoen die je weer uit de puree kunnen halen, maar daar moet je dan wel héél omzichtig mee omgaan. De ‘postman only rings twice’.

Zo gaan er zaken goed en zo gaan er zaken fout. De duivel speelt ermee. We zullen zelf de confrontatie met hem aan moeten gaan om greep te blijven houden op ons eigen lot. Wat er fout ging in de Negev, was verhuld in de mededeling van mijn collega K. – die achterin de auto zat – aan J. achter het stuur: ‘Stop eens even; we hebben volgens mij de afslag gemist.’ Geen leuke mededeling voor de kaartlezer, en dat was ik in dit geval. J. stopte de wagen langs de weg. We waren ’s ochtends om half zes vertrokken, en nu onze horloges op zeven uur stonden, bevonden we ons dus zo’n anderhalf uur rijden de woestijn in.

De kaart werd weer uitgevouwen. Het was duidelijk dat we de weg naar links – die ons pal langs de Egyptische grens had moeten houden – al lang hadden moeten tegen komen. We waren wel een weggetje aan onze linker zijde gepasseerd, maar mijn conclusie was geweest dat het een te smalle weg was om de onze te kunnen zijn. Je zult je afvragen waarom we de kaarsrechte weg langs de grens wilden volgen, terwijl er een meer bochtige en gevarieerde weg ons langs de mooiste plekken in de Negev Woestijn kon voeren. Het antwoord is dat we een afspraak hadden met een Palestijnse minister in Gaza, en die afspraak was gemaakt om elf uur. En dat was mogelijk: vertrekken om half zes uit Eilat, strak langs de grens rijden en op deze wijze langs de kortste route naar de Gaza Strook.

Het ging dus duidelijk fout, want we zouden moeten omkeren en ongeveer een half uur moeten terug rijden. Maar zaken hebben de neiging om gecompliceerd te worden. J. achter het stuur zei – nadat hij een tijdje heel stil was geweest: ‘Nou, misschien is het niet zo gek om maar door te rijden, want we zitten bijna zonder benzine!’ Ja, en dit is dus het moment dat iedere oen meemaakt die ergens zonder benzine komt te staan. Je kunt het domweg niet geloven! Het was merkwaardig stil in de auto, en ieder voor zich ging even terug in de tijd om zich weer te herinneren dat we natuurlijk niet getankt hadden toen we twee dagen terug ’s nachts vanuit Jeruzalem in Eilat waren aangekomen, en ook niet toen we de volgende dag heerlijk onder de warme zon aan het strand hadden gelegen en in de Rode Zee hadden gedobberd.

Dit zijn dus de dingen die gebeuren en waarvan je niet gelooft dat ze gebeuren. Dat niet één van ons drieën had opgemerkt dat de benzinemeter praktisch op nul stond! En zo speelde de duivel met ons. Maar de goden sloegen terug, want het bleek dat we onder de omstandigheden tóch het beste hadden gedaan. Het eerst volgende benzinestation lag volgens de kaart op de route die we volgden, zo’n zestig kilometer verderop. Als we onze zijweg naar links hadden genomen – én we hadden tijdig op de benzinemeter gekeken – dan hadden we om moeten keren, terug naar Eilat, omdat op die route helemaal geen tankstation te vinden was. Toch wel een blamage al met al, want er wachtte een minister op ons, weet je. Volgens J. zou er nog wel een liter of vijf in de tank zitten, en één op 12 à 13 kilometer per liter lopend, zou deze middenklas-Japanner ons toch naar Mitzpeh Ramon moeten kunnen brengen, waar we onze benzinetank weer vol konden gooien.

Wat kan een stemming toch grandioos omslaan. De duivel was verslagen. We zouden straks weer kunnen tanken en daarbij kwam dat we nu een veel mooiere route reden door weidse valleien in schitterende rode tinten, een soort maanlandschap met één fascinerend kenmerk: ruimte. Dat we nu een beduidend langere weg reden dan we gepland hadden, beseften we wel, en we dachten natuurlijk wel aan die minister, maar niemand begon erover. Je moet de dingen één voor één afhandelen.

De duivel had intussen gebroed op wraak en had de tijd weer naar zijn hand gezet, want ineens brult J.: ‘Shit! Weet je wat voor een dag het vandaag is?’ Er kwam noch van K., noch van mij antwoord. ‘Sabbat!’, gooide J. eruit, ‘We zitten hier in Israël, niet in Palestina! Dat benzinestation is waarschijnlijk niet eens open!’ Hij ging direct zachter rijden, waarmee hij de duivel toch even op de tenen trapte, want zo’n auto gaat meteen zuiniger rijden.

Ja, wat doe je dan. Natuurlijk gewoon doorrijden, maar zachter blijven rijden, zodat je hopelijk toch dat gehucht bereikt. We waren nog maar één auto tegengekomen en ik zag ons al lopen langs de weg… De duivel had toch wat bereikt, want het werd weer erg stil in de auto. Toch zorgt dat weer voor een reactie. Ik zei: ‘Nou straks in Mitzpeh Ramon, een lekkere espresso en een croissantje, en we kunnen er weer tegen.’ Gelach achterin, schril cynisch, dat wel.

Het rode lampje van de benzinemeter lichtte zo nu en dan op. De wijzer ging echt hangen. Je begrijpt het zelf niet als je na die zestig kilometer, met het waarschuwingslampje van de benzinemeter al twintig minuten op rood en de wijzer op zijn laagste stand, vanuit de Machtesh Ramon Vallei omhoog bent gekropen en het benzinestation binnenrijdt en je ziet dat daar twee vrolijke pompbedienden staan die niet beter weten dan dat ze gewoon de tank moeten bijvullen, en je vraagt of er wat te eten is en ze wijzen je een hotel en je zit vijftien minuten later inderdaad achter de espresso met een croissantje in je hand.

Ik schatte de stand van het gevecht met de duivel toch zeker op 2-1 voor ons, maar twijfelde daar weer aan toen we, met de kaart voor ons op tafel, tot de conclusie kwamen dat we pas om half één in Gaza konden zijn. Daar wachtte een minister, weet je. Toen we om één uur in Gaza waren, bleek de minister vertrokken te zijn. We verloren op punten. Maar later hoorden we weer dat die minister te weinig tijd voor ons zou hebben gehad die dag, en dat het toch eigenlijk veel beter was geweest om later af te spreken.

De duivel was dus volledig verslagen. Maar hij heeft intussen zo van die geniepige trappen achteruit: bijvoorbeeld die bon voor te hard rijden onderweg, in de woestijnstad Beersjewa, à zevenhonderd gulden.

© Frank de Zanger, uit ‘WERELD-IMPRESSIES VAN EEN JETPLANE-NOMADE’, zie Uitgeverij Tournesol

* * *

De Romans/eBoeken/Luisterboeken van Frank de Zanger zijn te verkrijgen/bestellen bij uw boekhandel en bij webwinkels. Zie Uitgeverij Tournesol: www.tournesol.nl

afbeelding Luchtruim

afbeelding Laura de Zanger

 

EEN HEL TUSSEN HEMEL EN AARDE                         Luchtruim, 1996

Op dat moment zag ik het nog luchtig in. Ik liep naar achteren op zoek naar mijn plaats. Nog verder naar achteren. Zover achterin heb ik nog nooit gezeten! Het enige waar ik nog iets aan had kunnen doen, was mijn positie in de rij. Ik had een plaats aan het gangpad gevraagd.

Alles liep naar wens op deze vlucht naar Jakarta: het opstijgen, de eerste bocht, de lampjes die aangaven dat bijna alles weer mocht. Maar toen begon het.

De man naast mij haalde een pakje sigaretten te voorschijn. De aansteker had hij bij zijn sigaretten in het pakje zitten: een onafscheidelijk paar. Ik wist het meteen: naast mij zat een kettingroker. Hij klopte een sigaret uit het pakje, en in een razendsnelle beweging stak hij er de brand in. Door een mysterieuze luchtstroom ging de blauwgrijze rook steevast eerst mijn kant op, steeg dan omhoog, en verdween boven de bagagebakken in een sleuf. Grote genade, moet ik hier dertien uur in zitten? Ik kreeg acuut hoofdpijn. Om mij heen flitsten de aanstekers aan, en een vette rook verspreidde zich achterin het vliegtuig. Toen mijn buurman zijn sigaret had uitgedoofd, bleek dat mijn voorgevoel juist was geweest. Direct stak hij een nieuwe op. Mijn god, er zit een maniak naast me! Ik keek eens naar hem. Hij zag er normaal uit. Niets aan hem deed vermoeden dat hij wat mij betreft meteen opgenomen kon worden. Zijn makker naast hem stak er ook gezellig nog eentje op.

Achter mij klaagt een passagier. Hij heeft een steward aangesproken. Ik hoor dat hij niet beseft heeft dat deze vliegmaatschappij nog roken toestaat op zijn vluchten. Bepaalde routes nog wel, wordt er beleefd geantwoord. De man is kwaad. Maar hij zit in de val, net als ik, want ik heb gehoord dat het een volle bak is vandaag. Toch probeer ik het als de steward bij mijn rij is aangekomen. Even later komt hij terug en zegt dat er helemaal voorin toch nog een plaats over is in het niet-rokers gedeelte. Of ik maar wil volgen. Opgelucht loop ik achter hem aan. Toch nog ontsnapt!

‘Ja,’ zegt de steward, ‘deze plaats is vrij, want de passagier die er zat is ziek geworden.’

Als ik bij de lege stoel sta, slaat mijn vreugde om in stomme verbazing. Kan het vliegend personeel dan niet zien dat ik twee benen heb! De ruimte vóór de stoel wordt voor de helft in beslag genomen door een uitstulping van de deur van een nooduitgang. Maar, de drang is groot. Ik wil het uitproberen. De man die naast de vrije plek zit begint geërgerd zijn tijdschriften van de zitting te halen. Ik ga zitten, maar mijn eerste indruk was juist. Deze plek is alleen geschikt voor eenbenigen, en dan wel voor dié categorie die een linker been bezitten. Ik sta op. Geïrriteerd loop ik weer naar achteren. Hoe durven ze die plaats te verkopen! Geen wonder dat die passagier gestoord is geraakt. Waar moet je je rechter been laten? Misschien heeft hij zo geklaagd, dat ze hem in de business-class hebben gezet. Moest ik óók maar doen. Maar de steward is ineens spoorloos verdwenen, en ik loop dus maar weer naar mijn oude plaats. Mijn buurman heeft net weer een verse opgestoken. Dichte rook hangt er nu in de achterbuurt. Ja meneer, dan had u ook maar eerder moeten inchecken, dan had u een plaats voorin kunnen krijgen!

Ik zit in de donkere Middeleeuwen. Het hoofd van mijn buurman begint te lijken op de exemplaren die Bruegel zo aardig kon uitbeelden. Ik verwacht nu ieder moment in het gangpad, uit de rook te voorschijn komend, een steward in blauwe kiel die een kruiwagen gedroogde mest naar achteren rijdt om de motoren daar eens lekker op te poken. Je ziet nu ook dat wanneer het echt nodig is die zuurstofmaskers niet uit het plafond komen vallen.

Ik heb nog geen woord tegen mijn buurman gezegd. En ik hoop dat vol te houden tot Singapore, waar hij en zijn kornuit hopelijk zullen uitstappen.

Gelukkig zijn ze na Singapore inderdaad verdwenen. Ik schuif twee plaatsen op om naar buiten te kunnen kijken. Even later komt een jonge man op mijn rij op de gangplaats zitten. Hij kijkt niet op of om, maar begint meteen een sigaret uit een pakje te frommelen, steekt hem aan en begint te inhaleren als een beest. De man verbruikt twee keer zo veel zuurstof als waar hij recht op heeft. Het is duidelijk. Hij komt van voren, uit het rookvrije gedeelte, en komt zich hier weer even op niveau nicoteren. Hij kijkt strak voor zich uit en zuigt aan zijn sigaret alsof hij ademnood heeft. Er is geen steward of stewardess te zien.

Aspirientjes hielpen niet meer. Mijn droge keel was niet meer te smeren, de schade aan mijn gezondheid niet te peilen. Ik zou hier graag eens met de bedrijfsarts van de vliegmaatschappij over willen praten, zo onder een borrel, zonder nou meteen een schadeclaim op tafel te leggen.

Nee, er is maar één oplossing voor rokers die willen vliegen en roken: vluchten voor uitsluitend rokenden! Ik stel het me voor: zo’n grote jumbo met alleen rokers erin. Een hel tussen hemel en aarde.

© Frank de Zanger, uit ‘WERELD-IMPRESSIES VAN EEN JETPLANE-NOMADE’, zie Uitgeverij Tournesol

* * *

De Romans/eBoeken/Luisterboeken van Frank de Zanger zijn te verkrijgen/bestellen bij uw boekhandel en bij webwinkels. Zie Uitgeverij Tournesol: www.tournesol.nl

afbeelding Zandbak,Bahrein

afbeelding Laura de Zanger

 

IS ER SPEELRUIMTE IN DE ZANDBAK?                        Bahrein, 1991

‘Dames en heren hier uw gezagvoerder, ik heb helaas niet zo’n erg plezierig mededeling… Kon ik u nog niet zo lang geleden berichten dat het weer goed was… nu moet ik u vertellen dat wij in verband met een zware zandstorm niet in Riaad kunnen landen en… moeten uitwijken naar het kustgebied. Zo ver wij het nu kunnen bekijken, kunnen we landen in Bahrein. Daar zullen we zien wat ons verder te doen staat. Wij houden u verder op de hoogte als er nieuwe ontwikkelingen zijn.’

Deze mededeling kwam rustig door in de KLM-Boeing 747, die onderweg was van Sri Lanka naar Schiphol Airport. Dat er toch sprake was van enige nervositeit in de cockpit bleek uit – in principe – het zelfde bericht, maar dan in het Engels, dat meteen volgde. De gezagvoerder had het nu over een ‘snowstorm’, terwijl dat toch een wel zeer uitzonderlijk fenomeen is boven Saoedi-Arabië.

Het toestel zwenkte vrijwel onmiddellijk en zette koers naar Bahrein. Er volgden nog meer mededelingen uit de cockpit. De gezagvoerder hoopte dat wij na een verblijf van enige tijd in Bahrein alsnog naar Riaad konden doorvliegen om daar de circa honderdenzeventig wachtende passagiers alsnog op te halen.

Zelfs aan de kust was de lucht geelbruin van het woestijnstof. Eenmaal aan de grond, voelde ik mij opgelucht en was blij dat ik met een maatschappij vloog die met dit soort zaken geen risico neemt.

Ik had reden om mij opgelucht te voelen, omdat een vlucht midden in zo’n woestijnstorm boven Libië mij nog vers in het geheugen lag. Het was tijdens een vlucht van Benghazi naar Tripoli met een toestel van Libian Airways, dat volgepakt was met rekruten van het Libische leger. Ik denk dat de meesten van hen nooit eerder hadden gevlogen en dachten dat het normaal was dat het vliegtuig, behalve voorwaarts, ook alle andere kanten op bewoog. Zelf had ik al heel wat afgevlogen, maar dit had ik nooit eerder meegemaakt. De ene luchtzak volgde op de andere. Ik verwachtte dat ieder moment de vleugels zouden afbreken, maar – om me heen kijkend – zag ik niets anders dan lachende jonge Libiërs. Het moet aan mijn gebrek aan ervaring hebben gelegen om een kameel te berijden, dat ik wit in mijn stoel hing. Deze jongens om mij heen bereden de luchtkameel en er was dus niets aan de hand. De jongen naast mij sprak me aan in gebrekkig Engels en vroeg of ik me niet goed voelde. Ik vertelde hem waarom ik dacht dat mijn laatste uur geslagen had. Ik zag hem direct wit wegtrekken en onzeker om zich heen kijken. Zijn kameraden waren druk in gesprek met elkaar… met de moed der onwetenden.

Het mag duidelijk zijn dat het allemaal goed is afgelopen daar in Libië, maar ik was nu dankbaar dat ik het niet weer hoefde mee te maken. Via de intercom legde de bemanning uit dat zij er alles aan zouden doen om de wachtende passagiers in Riaad op te pikken, omdat inmiddels duidelijk was dat zij de douane gepasseerd waren, vastzaten in de transfer-ruimte, en zich dus in niemandsland bevonden. De Saoedische autoriteiten gaven geen toestemming om dezelfde weg weer terug te keren. Dit bericht werd hilarisch ontvangen door mijn medepassagiers. Immers, moeten uitwijken door een zandstorm en vertraging oplopen is niet zo plezierig, maar opgesloten zitten in een wachtkamer zonder toestemming om weer terug te keren naar hotel of woning, was weer van een heel andere orde onplezierig.

Na uren wachten in een warm aangelopen vliegtuig kwam de mededeling dat de zandstorm niet afgenomen was en dat we ondergebracht zouden worden in een hotel. Nu sloeg hilariteit om in medelijden met de wachtende passagiers in Riaad. Zij zouden de nacht moeten doorbrengen op harde plastic stoeltjes! Het was de vraag of er maaltijden door konden komen en of er gebruik gemaakt kon worden van sanitaire voorzieningen.

Mijn horloge wees tien uur aan. Alleen handbagage mocht mee, en zo werden we met bussen vervoerd en afgeleverd bij een luxe hotel. De ergernis had al plaats gemaakt voor berusting en met het vooruitzicht op een warm bad en een goed bed steeg de stemming met sprongen. In de uiterst luxueuze en koele lobby van het hotel zegen de passagiers op banken en stoelen neer. Er waren geen plaatsen voor alle honderdentwintig passagiers, zodat groepjes naar de balie begonnen te lopen om de sleutels voor hun kamers meteen maar in ontvangst te nemen.

De lokale vertegenwoordiger van de KLM had de leiding en – naar ik hoorde van de purser – kon hij alleen handelen in dit van stof doordrenkte land. Dat was nu eenmaal de strikte regel. Iedereen moest zich persoonlijk inschrijven en daardoor duurde het lang voordat de eerste sleutels werden uitgereikt. Met het zicht op de sleutels begon de menigte zich om de balie te verdringen om zijn of haar sleutel in ontvangst te nemen.

Omdat ik geen zin had om tussen het gedrang te staan, was ik blijven zitten op de grote pluche fauteuil, die ik had bemachtigd. Een half uurtje later naar mijn kamer maakte ook niets meer uit. Het was half één in de nacht, en op het zelfde moment dat ik op mijn horloge keek, ontstond de eerste commotie aan de balie: er waren niet voldoende kamers! De één wilde het niet geloven, de ander werd meteen kwaad, en velen probeerden uitleg te krijgen bij onze KLM-bemanning, waarvan overigens zeker de helft ook nog geen kamer had. De uitleg was simpel. De lokale man was gevraagd om accommodatie te verzorgen voor honderdentwintig passagiers en vervolgens had hij ons naar een hotel gebracht – waarschijnlijk van een vriendje – met beschikbare ruimte voor circa vijfenzeventig gasten.

Het uitdelen van sleutels ging door, maar nu van twee- of meerpersoonskamers. Voor familieleden, kennissen of vrienden was het geen probleem. Maar niet iedereen wilde een kamer delen met een wild vreemde. Ik hoorde daar zelf ook bij. Ik had daar na al het geduvel even geen zin in. Tot nu toe had ik een afwachtende houding aangenomen, maar nu werd het tijd voor actie. Ik wurmde mij naar de balie, maar werd vlak daarvoor geblokkeerd door een wat oudere zakenman in een donker pak. Naast hem stond een aantrekkelijke, blonde vrouw, die met één van de receptionisten in onderhandeling was over een kamer. De zakenman zei, met een bijna zielig stemmetje, dat hij best bereid was om een kamer te delen met de juffrouw naast hem. Er werd niet op gereageerd. Later zag ik hem wel met een gejurkt persoon naar boven gaan, maar deze was een Arabier, en wel van het mannelijk geslacht.

Ik wist de aandacht van een receptionist te trekken en vroeg zeer gedecideerd, en met verheven stem – alsof ik al een week in het hotel zat – of ik mijn sleutel van de ‘single room’ kon krijgen. Vijf seconden later lag er een sleutel in mijn uitgestoken hand. Ik bleef mijn rol spelen, toonde mij niet verbaasd, terwijl er om mij heen nu gevochten werd om sleutels. Ik draaide mij om en drong me uit de menigte.

Het sleutelnummer verwees mij naar de eerste etage. Ik haalde mijn handbagage op en liep met een inwendige glimlach de marmeren trap op. Ik durfde niet om te kijken, bang dat ze achter mij aan zouden komen om de vergissing recht te zetten. De wonderen zijn de wereld nog niet uit zong ik inwendig. Een warm bad en een bed, dacht ik, het komt eraan! Ik kon niet wachten om de deur achter mij te sluiten om zo het tumult achter mij te laten.

Terwijl ik de sleutel omdraaide, de deur openduwde en het licht aandeed, stond het al wel op mijn netvlies geprojecteerd, maar het drong niet echt tot mij door dat er met grote koperen letters ‘MAYONG’ op de deur stond. Dit gebeurde pas toen ik de kamer in mij opnam: vier speeltafels met groene kleden en bijbehorende stoelen. Daarop uitgestald mayong-spellen en alles wat daarbij hoort. Verder, een huisbar, een paar prullerige schemerlampen en een paar dikke leren fauteuils. Dit alles uitgestald op een veelkleurig en hoogpolig tapijt. Ik stond in een mayong-speelhol en er was geen bed te bekennen! Maar goed, om één uur ’s nachts ben je niet te kieskeurig en de afneembare zittingen van de leren stoelen konden ook als matras dienen.

Het mayong-speelhol was in feite een ruime hotelsuite. Er was dan ook een prima badkamer; zelfs voorzien van het standaard pakket aan handdoeken, zeep, shampoo etc. Slapen zou dan misschien wat minder comfortabel zijn dan ik gehoopt had, het warme bad zou volledig aan de verwachtingen voldoen.

In bad liggend, en de zaak nog eens overdenkend in de stoomwolken, kwam er een gedachte bij mij op die ik anders zelden heb: ‘Ik lijk wel gek!’. Ik klom uit bad, pakte de huistelefoon en belde de receptie. Eerst bedankte ik de receptionist heel hartelijk voor de aangeboden kamer, maar voegde er aan toe dat er een probleempje was: er was geen bed! Er werd met verbazing op gereageerd. Hoe dat toch mogelijk was! Daarna vroeg ik of er dan toch nog een bed georganiseerd kon worden. ‘No problem, no problem, a bed is coming’, was het antwoord. Ik wilde bijna de hoorn op de haak leggen, maar bedacht me dat dat bed natuurlijk wel zou komen, alleen de vraag was: wanneer? Volgende week zou beslist te laat zijn. Ik vroeg dus ‘when?’, en het antwoord daarop was ‘ten minutes mister’. Zeker wetend dat ik in Bahrein geen fatsoenlijk bed meer zou zien, zeeg ik weer in bad. Tien minuten later ging de deurbel. Ik stapte het stomende bad uit en sloeg een handdoek om. Voor de deur stonden twee glimlachende hotelbedienden met een volwassen opklapbed. De wonderen zijn de wereld nog niet uit, zong ik voor de tweede keer, en dit keer reed het op wielen naar binnen.

De volgende ochtend onthulde dat een deel van mijn medepassagiers de nacht had doorgebracht op een bank in de lobby, anderen hadden op een matras in een bad gelegen, of waren helemaal niet plat gegaan, maar heel vroeg aan het ontbijt geschoven. Er waren er ook, die een echte hotelkamer hadden gekregen.

Nogal verfomfaaid werden wij, met onze handbagage, per bus weer naar het vliegveld gereden. De storm was gaan liggen, de lucht was weer blauw, en de zon blikkerde op het wachtende KLM-toestel, dat ons alsnog naar Riaad zou vliegen.

In Riaad zouden we de nieuwe passagiers als brandhout binnen zien komen. Immers een verblijf van een uur of zeventien in een wachtruimte, opgekruld op een plastic stoeltje, laat beslist zijn sporen achter. En dan de verontwaardiging die we op hun gezichten zouden aflezen over de behandeling door de Saoedische autoriteiten!

Zelden heb ik zo’n montere, vrolijke, uitgeruste groep mensen bij elkaar gezien. Gisteren, na een verblijf van een paar uur in de ‘transfer-ruimte’ was de toestemming gekomen om weer terug te keren in het land van de stofwolken. Daar werden de gestrande passagiers vervolgens in een uitstekend hotel ondergebracht. Een hotel met ruimte genoeg om de hele groep te herbergen.

Het brandhout kwam dus niet binnen, maar zat al op zijn plaats.

© Frank de Zanger, uit ‘WERELD-IMPRESSIES VAN EEN JETPLANE-NOMADE’, zie Uitgeverij Tournesol

* * *

De Romans/eBoeken/Luisterboeken van Frank de Zanger zijn te verkrijgen/bestellen bij uw boekhandel en bij webwinkels. Zie Uitgeverij Tournesol: www.tournesol.nl

afbeelding Binnenplaats,India

afbeelding Mark de Zanger

 

EEN WILLEKEURIGE BINNENPLAATS                        India, 1992

Bij het openduwen van het raam kwam de koude ochtendlucht mij tegemoet. Toen zag ik haar. Op haar hurken, op de kleine binnenplaats achter het hotel. Haar rug naar mij toegekeerd. Aan haar slanke postuur te zien was ze jong. Zij had een rafelige, kleine deken om zich heen geslagen en had een takkenbosje in haar hand waarmee ze de vloer veegde. Een paar kettinkjes om haar enkels waren zo te zien de enige sieraden die ze droeg. Haar haar was dof van het vuil.

Het eerste dat opviel, was dat het vegen geen enkel doel diende. Het vuil werd alleen verplaatst van de plek waar zij zat naar de omtrek om haar heen; net zo ver als het vegertje reikte. Zij zat daar te vegen of het een dagelijks ritueel was. Waarschijnlijk de eerste handeling van de dag. Toch, aangenomen dat het een dagelijkse handeling was, dan zou deze kleine binnenplaats uiteindelijk schoon zijn geworden. Maar, dat was niet het geval. Het weggeveegde stof werd kennelijk nooit op een hoop geveegd om het daarna te verwijderen, want voor zover ik door het raampje kon zien, lag er overal een dikke laag grijs stof. Verder zag ik wat huisafval en een vierkante kartonnen doos. Zij schoof de doos – nog steeds gehurkt zittend – driftig met een hand opzij. Daarna bleef ze zitten, roerloos.

Zij keek opzij, waardoor ik haar gezicht kon zien. Ik schatte haar op een jaar of veertien. Zij was bijzonder mooi. Kennelijk was ze verkouden, want ze haalde haar neus herhaaldelijk en luidruchtig op. Zij had er geen idee van dat ik naar haar keek. Ik begon de situatie gênant te vinden, ging weg van het raam, en ging door met het pakken van mijn bagage. Ik moest op deze november-ochtend mijn reis vanuit dit sjofele – maar ‘best in town’ – hotel vervolgen door de Indiase Staat Uttar Pradesh.

Even later werd ik toch weer naar het raam getrokken door het schrapende geluid van haar vegertje. Inmiddels had zij zich omgedraaid en kwam met hurkpasjes de kant weer op waar zij vandaan geschuifeld was. Haar hele houding verried neerslachtigheid. Zij veegde de plaats waar ze al geveegd had op dezelfde apathische manier aan, zonder op het resultaat te letten.

De binnenplaats was – zover te zien – begrensd door de achterkant van het hotel en een hoge bakstenen muur op ongeveer tien meter afstand daarvan. Tegen de muur aan waren hutjes opgebouwd van allerlei materialen: houten planken, triplex, asfaltpapier. De daken bestonden uit golfplaat, met grote stenen er op om het op zijn plaats te houden. Op het moment dat ik van het raam weg wilde gaan, kwam er uit een van de hutten een jonge man. Ook hij had een deken om zich heen geslagen. Hij stond daar, met een norse uitdrukking op zijn gezicht en voortdurend hoestend, een tijdje naar het meisje te kijken. Toen liep hij op haar toe en gaf haar treiterend een zet. Zij stond op en deed een pas opzij. Weer kreeg zij een zet en hij begon op dreinerige toon tegen haar aan te praten. Steeds weer volgde een duw en probeerde zij dit te ontwijken door een stap opzij te doen. Het meest treurige van de situatie was, dat zij kennelijk niet in de positie was om zich actief te verdedigen. Zij moest het ondergaan. Als om een boze droom te beëindigen, ging ik weg bij het raam. Maar het hielp niet.

Er klonk een schelle vrouwenstem op de binnenplaats. Zo’n viswijvenstem, zoals je in een klucht met ‘over acting’ kunt verwachten. Dit leek niet echt te zijn! Terug bij het raam zag ik een dikke klerenbundel naar buiten schommelen. Zij praatte met de jonge man, die weer voor de hut was gaan staan, en schold het meisje uit. Met tussenpozen duurde het minuten lang. De man gaf haar een laatste duw toen zij langs hen heen liep en in de hut verdween.

Er zaten nog veel meer mensen in die hutten. Ik hoorde kinderstemmen en vrouwenstemmen. Vrouwen kwamen slaperig naar buiten, gehuld in vale kleding en oude dekens. Ik hoorde het gekletter van water pal onder mijn raam. Daar moest een buitenkraan zitten, die als wasplaats diende.

Er kwam een jongetje een hut uit. Hij was duidelijk beter gekleed dan het meisje met de veger. Regelrecht liep hij op de kartonnendoos af die het meisje met een verachtelijk gebaar opzij had geduwd. Hij zette de doos zorgvuldig op een vlak stukje neer en opende hem. Daarna ging hij op zijn hurken zitten, bracht zijn handen naar de bodem, en begon zacht te neuriën. Uit de doos haalde hij een doekje dat zó versleten was, dat je er bijna door heen kon kijken. Hij spreidde het doekje uit naast de doos en streek het vlak. In de doos – ik kon er net schuin inkijken – lag een laagje zand dat ook glad werd gestreken. Daarna ging het doekje met de grootste zorgvuldigheid weer de doos in. Zo bleef het jongetje met zijn ‘speelgoed’ in de weer.

Ik ging verder met het pakken van mijn bagage en dacht er aan dat het nu al koud was ’s nachts, hier in het plattelandsstadje Ballia, ongeveer 120 kilometer verwijderd van de voet van het Himalaya Gebergte. Hoe zou dat wel niet in december en januari zijn!

Er klonken kinderstemmen vanaf de binnenplaats. Terug naar het raam. Twee meisjes van ik schat vijf en acht jaar oud stonden te kwebbelen met een buurmeisje, dat achter een rommelig hek stond. Het meisje met de rafelige deken om stond er ook weer. Nu met een peuter op haar arm. Er was een schrijnend contrast tussen haar, in lompen gekleed, en de andere meisjes, die in kleurrijke schone kleren waren gestoken en strikken in hun haar hadden. Het oudste meisje had een rood gekleurd breiwerkje in haar handen en stond vrolijk babbelend te breien. Gerammel met potten onder een golfplatendak gaf aan dat er eten werd klaargemaakt.

Het meisje in de deken had geen deel aan het ontwakende leven op deze vroege ochtend, in de binnenplaats. Zij stond daar met de peuter op haar arm als een meubelstuk.

Later, rijdend door het vlakke land, vroeg ik mij af wat er gedaan zou worden als de viertienjarige lijfeigene ziek zou worden. Vermoedelijk niets. Ik was getuige geweest van slavernij, anno 1992. Uitbuiting van straatarmen door armen. Een volkomen uitzichtloze situatie had ik onder ogen gekregen door een toevallige blik op een willekeurige binnenplaats.

 Frank de Zanger, uit ‘WERELD-IMPRESSIES VAN EEN JETPLANE-NOMADE’, zie Uitgeverij Tournesol

* * *

De Romans/eBoeken/Luisterboeken van Frank de Zanger zijn te verkrijgen/bestellen bij uw boekhandel en bij webwinkels. Zie Uitgeverij Tournesol: www.tournesol.nl

afbeelding The YaYa Club

De ‘Ya Ya Club’, afb. Anja de Zanger

 

DE ‘YA YA CLUB’                          Indonesië, 1990

Het is een uur of elf als de knetterende driewieltaxi ons in een blauwe walm afzet bij een merkwaardig houten gebouwtje. Men zegt dat het een bouwkeet is geweest. Aan de buitenkant voert een trap naar de eerste verdieping. Diepe bastonen dreunen door de wanden naar buiten.

Ziet de tent er van buiten armoedig uit, binnen is dit niet het geval. Het interieur moet aangeven dat wij in een Engelse pub zijn beland. Houten aftimmering, pullen bier, komische en pikante teksten aan de muren. Verder barst het er van de mensen, en de helft is buitenlander.

Mijn Indonesische collega, Bob, en ik dringen ons door de menigte op zoek naar zitplaatsen. De hoefijzervormige bar, die centraal en vóór het podium is opgesteld, is geheel bezet. Wij persen ons langs de zitjes in ‘chalet-stijl’. Twee bezoekers stappen juist op, en bieden ons het bankje aan.

Hard rock dondert van het podium, weggeslingerd door vier heren en een dame. Het publiek volgt de maat door op het barblad te slaan, met bierviltjes te tikken, of mee te deinen.

Bier moet er komen. Bob houdt mijn plaats bezet, en ik dring mij richting bar. Onderweg loop ik tegen Erik de Noorman aan: een rijzige viking-yup met witblond haar, dat is samengebundeld tot een lange staart die tot halverwege zijn rug reikt. Verder is hij keurig in donkere pantalon, wit overhemd met korte mouwen, en een donkere stropdas. Het meest merkwaardige is wel dat hij geen ring in zijn oor heeft. Is hij een trend achter, of is hij er één voor? Zijn expatriate-vrienden zien er minder formeel uit, en missen ook de staart in de nek. Dringen is niet onprettig tussen Indonesische dames. En ik kom er wat tegen, aangezien zij minstens de helft van dit etablissement vullen. Vele van deze dames hebben van hun hobby hun beroep gemaakt, maar de scheiding tussen een vriend die je onderhoudt en een onderhoudende vriend is hier klein. Europese vrouwen zijn zwaar in de minderheid; hun aanwezigheid heeft hier ook iets onnatuurlijks.

Als ik terug ben, heeft Bob een deel van onze ruimte moeten prijsgeven. Op ons bankje is een jonge Indonesiër aangeschoven, en tegenover ons zitten zijn vriend, een Amerikaan, en een Indonesisch meisje. De Amerikaan is vrolijk aangeschoten.

‘Hallo, hoe heten jullie, en waar komen jullie vandaan?’

We weten direct elkaars voornamen. Tegenover ons hebben we te maken met Rita en Roy, naast ons zit Mardjo. De ‘Ya Ya Club’ is het eindpunt van hun kroegentocht. Onderweg heeft Roy een meisje opgepikt, of was het andersom? Het meisje is in een grandioze stemming. Ze zingt mee met de band, en gaat op het bankje staan. Roy bestelt bij een toevallig passerende barman meer drank. Vier bier. Rita drinkt cola.

Ik had al eerder gehoord dat er op het barblad geswingd wordt als de stemming er goed in zit, maar dat stadium hebben we nog niet bereikt. Op de bar dan niet, maar wel pal tegenover ons op de bank trekken de wiegende heupen van Rita sterk onze aandacht. Het is duidelijk dat haar show meer voor Bob en mij bedoeld is dan voor Roy. Maar Roy schijnt het niet te deren. In tegendeel, hij moedigt haar vurig aan. Intussen denkt Bob dat het allemaal voor hem bedoeld is, en ik denk dat ze de show voor mij opvoert.

Zo nu en dan draait Rita zich al swingend naar Roy, die met zijn koddige hoofd precies op het niveau van haar heupen zit. Expres scheel kijkend volgt hij de bewegingen van het middelpunt van haar middenfront. De omstanders reageren hilarisch. Het werkt stemming verhogend. Rita geniet ervan, en Bob niet minder. Er wordt meer bier aangesleept. Roy begint zo langzamerhand motorisch minder gecoördineerd te worden. Zijn blik wordt melancholiek en hij volgt bij Rita’s volgende sessie – zijn kant op – niet meer haar sensuele bewegingen.

‘Kom van dat dak af!’ golft in onvervalst Nederlands van het podium. Jarenzestig-rock uit Holland, gezongen door een lange Indonesiër uit het voormalige Papua Nieuw-Guinea. Grote bijval ontvangt hij van de Nederlanders en Belgen.

Onze krullenbol heeft plaatsgemaakt voor een elegante zangeres met een lief rattenkopje. Ook is er een andere band op het podium verschenen. Lief Rattenkopje heeft duidelijk Indonesisch en Europees bloed. Rock vervangt zij door gevoeliger songs. Zij zingt verbluffend goed.

Een jonge ex-pat is naast onze tafel komen staan. Het kost hem enige tijd om de aandacht van Rita te trekken. Als dat eenmaal is gelukt, volgt er een korte knik en een glimlach.

De zangeres geeft na haar eerste nummer een vermanende waarschuwing aan het publiek; charmant en lacherig, maar de boodschap is duidelijk genoeg: pas op voor geslachtsziekten! ‘Cross your legs!’, roept zij, en klemt hierbij demonstratief haar bovenbenen tegen elkaar. Met X-benen begint zij het volgende nummer.

Rita springt vrolijk van de bank en verlaat meteen met de jonge ex-pat de ‘Ya Ya Club’. Ik verwacht nu dat Roy kwaad wordt, maar dat is niet het geval. Roy is vrolijk en melancholiek tegelijkertijd. Roy vindt alles goed. Roy gunt nu alles iedereen, en iedereen alles.

Lief Rattenkopje zwijmelt de hele tent het volgende nummer in. Proost Bob! Dit is absoluut de netste tent in heel Jakarta. YA…YA.

© Frank de Zanger, uit ‘WERELD-IMPRESSIES VAN EEN JETPLANE-NOMADE’, zie Uitgeverij Tournesol

* * *

De Romans/eBoeken/Luisterboeken van Frank de Zanger zijn te verkrijgen/bestellen bij uw boekhandel en bij webwinkels. Zie Uitgeverij Tournesol: www.tournesol.nl

Billy Joel

Billy Joel, 1973

 

Mijn schrijfwerkzaamheden hebben zich verplaatst naar het schrijven van liedteksten. Dit heeft alles te maken met het feit dat ik zelf ben gaan zingen en al enige tijd zangles heb. Ik heb inmiddels de volgende Nederlandstalige teksten geschreven op bekende liederen/composities:

  •  ‘Adiós Nonino’, Ástor Piazolla; Nederlandse tekst F. de Zanger (2011): ‘De Zomer in Mijn Hoofd’.
  • ‘La Bohème’, Charles Aznavour; Nederlandse versie F. de Zanger (2015): ‘Ik ben mijn koffer kwijt’.
  • ‘Perhaps Love’, John Denver; Nederlandse versie F. de Zanger (2017): ‘Geluk’.
  • ‘Je n’attendais que vous’, Garou; Nederlandse versie F. de Zanger (2017): ‘Ik wacht op jou alleen’.
  • ‘Piano Man’, Billy Joel; Nederlandse versie F. de Zanger (2017): ‘Het is 5 voor 12’.
  • ‘Yesterday’, Beatles; Nederlandse versie F. de Zanger (2017): ‘Spiegelbeeld’.

Mijn Nederlandse versies op niet-Nederlandstalige liederen zijn geen directe vertalingen van de bestaande teksten, maar meer liedteksten in dezelfde sfeer als het oorspronkelijke lied.

Mijn eerste eigen tekst voor een Nederlands lied heeft als titel ‘Mijn Ego is Mijn Klerenkast’ (2015). Er is muziek op gemaakt – en het lied wordt uitgevoerd – door Ruud van der Vliet (Soest, ‘Socrates Zingt’, ruud.vandervliet@gmail.com).

Inmiddels heb ik een nieuw Nederlandstalig lied afgerond (‘Zouden Wij Vogels Willen Zijn?’), waarbij ik zelf ook de muziek componeerde. Maar, daarover later meer …

Mijn Nederlandstalige versies van bestaande liederen mogen gebruikt worden door zangers/zangeressen, koren, bands, of orkesten als: contact met mij wordt opgenomen (e-mail: fdezanger@tournesol.nl) én wordt gehouden aan naamvermelding op programma of in aankondiging. Voorts geldt ook dat sprake moet zijn van kleine voorstellingen en producties, die niet volledig commercieel zijn. In andere gevallen gelden de vigerende copyright-regels.

Hieronder volgt mijn Nederlandstalige versie – met titel ‘Het is 5 voor 12’ – van het aanstekelijke nummer ‘Piano Man’ (1973) van Billy Joel:

Het is 5 voor 12

Het is vijf voor twaalf op de wereldklok

Dat zou van belang moeten zijn

Maar, als je uren per dag op je smartphone kijkt

Dan ben je daarvoor te klein.

Hoe lang blijf je een schim op het internet?

Hoe lang heeft Google je te leen?

Want het is saai, heeft geen doel en verdringt je gevoel

Voor wat er gebeurt om je heen.

Kijk om je heen naar de werkelijkheid

Kijk om je heen vandaag

Want we hebben niet de eeuwigheid

En zelfs is die nogal traag.

Het is waar dat de krant een onding is

Die brengt ellende alom

En je doet er niets aan en je kunt er niets mee

Het maakt de wereld zo krom.

Maar kijk vooral naar de werkelijkheid

De realiteit om je heen

Die is echt en is waar en is heel tastbaar

En is ook minder gemeen.

Nou dringen zich een paar problemen op

En ‘climate change’ is er één

En er zijn extremisten met allerlei listen

En we willen daarvan geen één.

En we zijn bang voor alles en nog wat

Als al dit onheil langs fietst

Maar we kunnen wat doen – in eigen straat

Alles is beter dan niets.

Kijk om je heen naar de werkelijkheid

Kijk om je heen vandaag

Want we hebben niet de eeuwigheid

En zelfs is die nogal traag.

Het is tien voor twaalf op de wereldklok

We kijken meer om ons heen

We zien wat we doen, het is anders dan toen

We krijgen een toekomst te leen.

En de klok, die tikt weer wat langzamer

En de krant die schreeuwt minder hard

En we kunnen wat doen – het is anders dan toen

De toekomst is minder benard.

Kijk om je heen naar de werkelijkheid

Kijk om je heen vandaag

Want we hebben niet de eeuwigheid

En zelf is die nogal traag.

Tekst: ©Frank de Zanger, 2017, muziek: Billy Joel, ‘Piano Man’, 1973.

Wilt u reageren? Geef een reactie onderaan dit bericht.

* * *

Romans/eBoeken/Luisterboeken van Frank de Zanger zijn te verkrijgen/bestellen bij uw boekhandel en bij de webwinkels. Zie Uitgeverij Tournesol: www.tournesol.nl

 

Gepost door: Frank de Zanger | februari 2, 2018

Uit mijn archief: omslag programma uitvoering ‘De Cid’, 15 jaar oud

De Cid,omslag programma,FdZ,15 jr

Ik ben weer eens in mijn archief gedoken en vond mijn ontwerp voor het programmaboekje voor de uitvoering van ‘De Cid’ (El Cid) door leerlingen van de 3e klas HBS van het 1e Christelijk Lyceum te Haarlem (dependance Heemstede). Ik was toen 15 jaar. Grappig om te zien dat ik toen ook al bezig was om delen weg te laten en dicht bij de kern te blijven.

I searched once more in my archives and found my design for the programme for the performance of El Cid by pupils of the 3e grade of the HBS (1e Christelijk Lyceum at Haarlem, extension Heemstede). I was 15 years old at that time. Funny to see that already at that time I liked leaving out components and concentrating at the essence.

Tekening door Frank de Zanger © / Drawing by Frank de Zanger

Wilt u reageren? Geef een reactie onderaan dit bericht.

 * * *

Romans/eBoeken/Luisterboeken van Frank de Zanger zijn te verkrijgen/bestellen bij uw boekhandel en bij webwinkels.

Zie ook Uitgeverij Tournesol: www.tournesol.nl

'Bekijk het eens van de andere kant', schilderij Frank de Zanger, Nieuwjaarsexpositie Vereniging Artishock, januari 2018

Frank de Zanger

Nu te koop voor € 300,-

Wilt u reageren? Geef een reactie onderaan dit bericht.

Hierbij mijn bijdrage aan de Nieuwjaarstentoonstelling 2018 van de Tekenclub van Vereniging Artishock te Soest. Het thema dit keer was ‘Bekijk het eens van de andere kant’ (acrylverf op mdf-board, 80×80 cm).

Herewith my contribution to the New Year’s Exhibition 2018 at Cultural Society Artishock, Soest, The Netherlands. This year the theme was ‘See it from an other perspective’ (acrylic paint on mdf-board, 80×80 cm).

Schilderij door Frank de Zanger © 2018 / Painting by Frank de Zanger

 * * *

Romans/eBoeken/Luisterboeken van Frank de Zanger zijn te verkrijgen/bestellen bij uw boekhandel en bij webwinkels.

Zie ook Uitgeverij Tournesol: www.tournesol.nl

Gepost door: Frank de Zanger | december 20, 2017

Essay: ‘Nederland gespleten door klassen-democratie’

NEDERLAND GESPLETEN DOOR KLASSEN-DEMOCRATIE

Het geval uitbreiding Luchthaven Lelystad

Soms kun je als een bliksemschicht visie binnen krijgen. Dat overkwam mij laatst toen ik op het TV-journaal een rapportage zag over de uitbreiding van de luchthaven in Lelystad. Ik heb al lang het gevoel dat het niet goed zit in Nederland met de democratie, maar ik kon er niet de vinger opleggen. Een soort knagend gevoel van onbehagen, waarvan je zelf niet weet waar die vandaan komt. Maar nu is het duidelijk. Er is iets helemaal mis met de democratie in Nederland en het geval ‘uitbreiding Luchthaven Lelystad’ maakt het duidelijk. Ik kan er nu de vinger opleggen: er is een democratische structuur ontstaan in Nederland, die ik ‘klassen-democratie’ noem.

Dit inzicht kwam plotseling toen ik op TV een aandoenlijke scene te zien kreeg, waarin een man de microfoon nam tijdens iets wat op een inspraakvergadering leek. Boos was hij, omdat de uitbreiding van de Luchthaven Lelystad kennelijk al een feit was, terwijl er zo veel mensen tegen de uitbreiding zijn: ‘ … er wordt heel veel kapot gemaakt’. De man vroeg nog of er toch nog wat aan gedaan kon worden. Ja, het was aandoenlijk.

Voorgebakken besluitvorming

De journaal-commentator concludeerde dat er iets was mis gegaan met de besluitvorming. Het leek erop dat het plan door de Provincie Flevoland er al doorheen was gejast voordat de inspraakprocedure goed en wel was begonnen. Ook de ombudsman trok een dergelijke conclusie. De burger was niet goed behandeld: ‘De overheid was er voor de burger, en niet andersom.’ Aandoenlijk was het weer, dat de ombudsman voorstelde dat de overheid alsnog met de burger om de tafel zou gaan zitten. Aandoenlijk inderdaad, want het is allemaal al een voldongen feit. De schop staat al lang in de klei. De investeringen zijn al zo groot, dat – zo zegt men – het allemaal niet meer is terug te draaien.

Dit is natuurlijk niet de eerste keer dat er plannen worden doorgedrukt, waarover de burger niet goed is geraadpleegd. Het zal ook niet de laatste keer zijn. Sterker nog, het gaat gewoon door, en – nu weet ik het – dat komt door de ‘klassen-democratie’ waarin wij zijn ingekapseld.

‘Bestuurderers’ en ‘klassen-democratie’

Nederland heeft een democratisch bestel, waaraan iedere burger is onderworpen. Er zijn rechten en plichten. In ieder geval, we hebben er allemaal mee te maken: de burger, de gewone burger; maar ook de minder gewone burger, zoals bestuurders bij de overheid en bestuurders bij het bedrijfsleven. Dan heb je daar nog een overtreffende trap van, die ik ‘bestuuderers’ noem. ‘Bestuurderers’ zijn burgers die niet zozeer besturen, omdat het noodzakelijk is dat er bestuurd wordt. Nee, die besturen omdat ze dat groter maakt, aanzien geeft, en hun ego streelt. Deze laatste soort bestuurders zijn in de regel uiterst actieve, gedreven, en opportunistische baasjes en bazinnetjes. Wij hebben een democratie gekregen met burgers in verschillende machtsklassen. Wij hebben een ‘klassen-democratie’ gekregen.

‘Laag-Democraten’ en ‘Hoog-Democraten’

Bestuurders en bestuurderers hebben netwerken die veel groter zijn dan waar gewone burgers over kunnen beschikken. Daarom kunnen zij snel aan informatie komen, snel opinies inwinnen, snel geïnteresseerden bij elkaar trommelen, de juiste mensen inzetten bij voordrachten, lobbygroepen activeren en betalen; kortom: zij kunnen snel handelen, snel plannen maken, en snel uitvoeren. De gewone burger blijft in alle opzichten achter. Hij moet het allemaal tot zich nemen, een mening vormen, gelijkgestemden zien te vinden, en actie ondernemen. De gewone burger bungelt bij alles achteraan. In ons gespleten democratisch bestel kunnen we dan onderscheid maken tussen verschillende soorten burgers: de ‘laag-democraten’, de gewone burger dus, en de ‘hoog-democraten’, de minder gewone burger, de burger met macht, zoals de bestuurders en bestuurderers van overheid en bedrijfsleven. De ombudsman heeft een bizarre positie: als hoog-democraat heeft hij een laag-democratische opdracht.

Democratie van twee snelheden

We zijn in een situatie gekomen dat de één meer (uitgebreider, sneller) democratisch kan handelen (de ‘hoog-democraat’) in vergelijking tot degene die minder democratisch uit de voeten kan (de ‘laag-democraat’). Er is een tweedeling ontstaan. Er is een democratie ontstaan van twee snelheden. En dát was de visie die als bliksemschicht binnenkwam toen ik de rapportage zag over de uitbreiding van de Luchthaven Lelystad. Het is niet iedere keer weer wat anders waarom het misgaat met besluitvorming. Nee, iedere keer gebeurt weer hetzelfde. In een democratie van twee snelheden, laat het zich raden welke vorm van democratie effectiever is voor zijn aanhangers: juist, de snelste vorm, de ‘democratie’ van de hoog-democraten.

Rotte tomaten

Als we iets willen doen aan falende besluitvorming, dan hoeven we niet langer te zoeken naar de oorzaken. De democratie van twee snelheden moet weer terug naar een democratie van één snelheid, die bij te houden is voor iedereen die aan het proces mee doet. Doen we dat niet, dan krijgen we het zelfde probleem de volgende keer weer, en de volgende keer, en de volgende keer …

Als er structureel niets wordt gedaan ter verbetering, dan zal uiteindelijk een kist rotte tomaten effectiever zijn dan de microfoon pakken in een inspraakvergadering.

©Frank de Zanger

Wilt u reageren? Geef een reactie onderaan dit bericht.

* * *

Romans/eBoeken/Luisterboeken van Frank de Zanger zijn te verkrijgen/bestellen bij uw boekhandel en bij de webwinkels. Zie Uitgeverij Tournesol: www.tournesol.nl

Gepost door: Frank de Zanger | december 5, 2017

‘Geluk’: Nederlandstalige versie van ‘Perhaps Love’ (John Denver)

John Denver

John Denver

Mijn schrijfwerkzaamheden hebben zich verplaatst naar het schrijven van liedteksten. Dit heeft alles te maken met het feit dat ik zelf ben gaan zingen en al enige tijd zangles heb. Ik heb inmiddels de volgende Nederlandstalige teksten geschreven op bekende liederen/composities:

  •  ‘Adiós Nonino’, Ástor Piazolla; Nederlandse tekst F. de Zanger (2011): ‘De Zomer in Mijn Hoofd’.
  • ‘La Bohème’, Charles Aznavour; Nederlandse versie F. de Zanger (2015): ‘Ik ben mijn koffer kwijt’.
  • ‘Perhaps Love’, John Denver; Nederlandse versie F. de Zanger (2017): ‘Geluk’.
  • ‘Je n’attendais que vous’, Garou; Nederlandse versie F. de Zanger (2017): ‘Ik wacht op jou alleen’.
  • ‘Piano Man’, Billy Joel; Nederlandse versie F. de Zanger (2017): ‘Het is 5 voor 12’.
  • ‘Yesterday’, Beatles; Nederlandse versie F. de Zanger (2017): ‘Spiegelbeeld’.

Mijn Nederlandse versies op niet-Nederlandstalige liederen zijn geen directe vertalingen van de bestaande teksten, maar meer liedteksten in dezelfde sfeer als het oorspronkelijke lied.

Mijn eerste eigen tekst voor een Nederlands lied heeft als titel ‘Mijn Ego is Mijn Klerenkast’ (2015). Er is muziek op gemaakt – en het lied wordt uitgevoerd – door Ruud van der Vliet (Soest, ‘Socrates Zingt’, ruud.vandervliet@gmail.com).

Inmiddels ben ik bezig met een nieuw Nederlandstalig lied (‘Zouden Wij Vogels Willen Zijn?’), waarbij ik zelf ook de muziek componeer. Maar, daarover later meer …

Mijn Nederlandstalige versies van bestaande liederen mogen gebruikt worden door zangers/zangeressen, koren, bands, of orkesten als: contact met mij wordt opgenomen (e-mail: fdezanger@tournesol.nl) én wordt gehouden aan naamvermelding op programma of in aankondiging. Voorts geldt ook dat sprake moet zijn van kleine voorstellingen en producties, die niet volledig commercieel zijn. In andere gevallen gelden de vigerende copyright-regels.

Hieronder volgt mijn Nederlandstalige versie – met titel ‘Geluk’ – van het mooie nummer ‘Perhaps Love’ (1981) van John Denver:

GELUK

Geluk, daar ben je naar op zoek

Geluk is meestal klein

Geluk ligt heel vaak om de hoek

Geluk doet niemand pijn

En als je dan op zoektocht gaat

Zoekend en op de tast

Kijk dan goed, en zie of het je past

Geluk is als een kalme zee

Geluk is als een zonnig strand

Geluk .. dat brengt warmte mee

Geluk dat schept een band

En als je kijkt, heel goed kijkt

Als je geluk ziet staan

Ga er heen, en laat’t niet meer gaan

Geluk is als een lachend kind

Geluk is zingen in de zon

Geluk is dat wat mensen bindt

Geluk is doen wat je niet kon

En als je het van binnen voelt

Als geluk je warmte geeft

Houd het vast, laat niet los, en zorg dat het leeft

Geluk is als een mooie bloem

Geluk stroomt als een beek

Geluk is als een echte zoen

Geluk is ‘mooier dan ‘t leek’

En als je geluk gevonden hebt

Gevonden op de tast

Koester het, en houd het stevig vast

Geluk is als een lachend kind

Geluk is zingen in de zon

Geluk is dat wat mensen bindt

Geluk is doen wat je niet kon

En als je geluk gevonden hebt

Gevonden op de tast

Koester het .. en .. houd het .. eeuwig … vast.

Tekst: ©Frank de Zanger, sept. 2017, muziek: John Denver, ‘Perhaps Love’, 1981.

Wilt u reageren? Geef een reactie onderaan dit bericht.

* * *

Romans/eBoeken/Luisterboeken van Frank de Zanger zijn te verkrijgen/bestellen bij uw boekhandel en bij de webwinkels. Zie Uitgeverij Tournesol: www.tournesol.nl

 

« Newer Posts - Older Posts »

Categorieën

%d bloggers liken dit: